is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 23, 11-06-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ den Heer / behoort de aarde l en haar i \ volheid. \ Psalm 24:1 /

fyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 11 Juni 1955 No. 23

Redactie: ds. J. J. Buskes Jr. ds. L. H. Ruitenberg dr. J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr. J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr. W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr. M. V. d. Voet ds. H.J.deWijs Mej. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

mnement per jaar ƒ 5,—; halfjaar f 2,75; kwartaal ƒ 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Cem.giro V 4500; Adtn. N.V. De Arbeiderspers, Hekelueld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

NABESCHOUWING

„Politiek betekent deze crisis dan ook een ongekend dieptepunt; laten de politici die daarvoor direct verantwoordelijk zijn, bedenken, dat zij een heel slechte beurt hebben gemaakt bij de kiezers.” Het Vaderland (lib.) over de oplossing der kabinetscrisis.

Laten we maar glimlachen over een uitspraak als hierboven te lezen staat; een uitspraak, die in allerlei variaties weerklonk in de liberale en

de zgn. neutrale pers (Telegraaf, Haagse Post, Elsevier). Het lijkt wel of deze bladen profijt zien in alarm en sensatie. De kiezers, die zij op het oog hebben, merkten van de crisis echter niets. Deze crisis, ook al door het snelle verloop, heeft nauwelijks enige deining veroorzaakt buiten de betrekkelijk kleine groep van politiek-geïnteresseerden en zal dan ook gauw vergeten zijn.

Laten we ook maar glimlachen over de roerende eenstemmigheid, waarmee alle niet-socialistische bladen aan de PvdA de schuld gaven van de crisis. Ruitenberg heeft in de voorgaande aflevering met dit sprookje zeer definitief af gerekend. Het kan ons nochtans een les zijn. Het onverholen leedvermaak over de nederlaag van Labour is een andere aanwijziging in de zelfde richting. Zo we al goed genoeg waren om de wagen uit het moeras te halen, we kunnen gemist worden nu er geen armoede, maar welvaart te verdelen is.

Laten we ten slotte glimlachen om het verwijt, dat van veel kanten gehoord wordt: we zouden ons laten leiden door een redeloze „rancune tegenover de huiseigenaren”. We kunnen daar zonder ironie tegenover stellen, dat de anderen bewogen worden door een roerende zorg voor deze zelfde mensen, een zorg, die fraai gemaskeerd werd door hun ijver voor het toekomstig huurpeii. Het kan soms lijken dat krotopruiming bevorderd wordt door huurverhoging. Merkwaardig is ook het pleidooi, dat men er aan moet gewennen, een groter deel van het inkomen aan huur te besteden. Of deze stelregel ergens anders op berust, dan op de verheerlijking van vroegere toestanden, werd niet duideiijk. Of deze stelregel rekening houdt met het ruimer deel dat we tegenwoordig van ons inkomen afstaan aan de belasting, bleek al evenmin. Noch werd het helder, of deze stelregel alleen geldt voor de inkomens van

arbeiders of ook voor de hogere en hoogste inkomens.

Nadenkend over de crisis meen ik nog heel andere zaken te zien. Wat is het toch merkwaardig dat heel die politieke deining over het mandement geen ministeriëie crisis uitgelokt heeft, maar wel die armzalige procentenkwestie bij de huurverhoging. Men kan het ook anders zeggen: waar bleek nu de verheven doorwerking der godsdienstige beginselen, waarop de confessionele partijen stoelen? Nu het om practische politiek ging, en nog wel om een crisis, die bijna tot kamerontbinding leidde, werd er geredetwist langs lijnen van politieke en economische overwegingen in de trant van: is de huurverhoging economisch en sociaal verantwoord? Is de kwestie belangrijk genoeg om het ministerie van de brede basis af te vallen, enz....? Deze zeer nuchtere, welhaast technische vraagstukken van politiek beleid kwamen op een gegeven moment door handig en onhandig manoeuvreren van partijen en ministerie in een der gelijke crisis van opgewonden sentimenten, dat een achteraf-gezien overbodige demissie van het kabinet-Drees het gevolg werd. En dan te denken hoe geheel anders het verloop is geweest, toen er waarlijk grote kwesties op het spel hebben gestaan: de tweede politionele actie, de ratificatie van de EDG, de onderwijspolitiek, de vervroegde belastingen, het radioen televisie-beleid, enz.

Men kan het bejammeren of toejuichen, maar politiek in ons land verloopt niet langs de lijnen van confessionele tegenstellingen en verloopt evenmin langs de lijnen van wezenlij k-zakelijke tegenstellingen. Men komt in dit land nimmer tot een heldere, principieel-politieke discussie. Want van tweeën een: men redetwist over confessionele tegenstellingen in het luchtledige, omdat deze, inderdaad reële tegenstellingen in het politieke vlak van heden nauwelijks consequenties hebben; of men redetwist over zakelijk-politieke tegenstellingen, maar dan liggen de compromissen ai klaar, voordat de tegenstelling geformuleerd is, daar immers het verbindend beginsel der confessionele partijen de zakelijke tegenstelling verstikt. Neem de kwestie der huurverhoging ten voorbeeld. Binnen de KVP leefde de tegenstelling al van voor- en tegenstanders van huur-

afroming. Zo’n partij bepleit een compromis vóórdat de tegengestelde standpunten tot hun recht zijn gekomen en legt zodoende aan zijn tegenspeler eenzelfde taktiek op. De discussie verloopt dan in de richting van het compromis over het compromis. Wat is het toch jammer, dat we geen duidelijke tegenspeler hebben! dat „Burgerrecht” wei als blad verschijnen kan en Duynstee wel een krant redigeert, dat zij ais onverantwoordelijke souffleurs en remmers in vaste dienst, de confessionele partijen beïnvloeden, maar dat zij in de Kamer niet aanwezig zijn, tenzij precies als de Telegraaf en Elsevier: in de binnenzak van sommige volksvertegenwoordigers.

Men kan het belang der open discussie in een democratie niet hoog genoeg aanslaan. Immers de democratie gaat er van uit dat en kan alleen maar goed functionneren è,ls iedere partij erkent, dat zij niet alleen het uitsluitend bezit der waarheid geniet en dat zij daarom een tegenspeler behoeft, die haar vierkant tegenspreekt, ter plaatse a.u.b., en op hetzelfde vlak der discussie. Men kan dit zo begrijpen, dat zelfs als men heilig overtuigd is de alleenzaligmakende waarheid voor te staan, de mens toch niet in staat is die waarheid volledig en in al haar gevolgtrekkingen te overzien. Het compromis moet dus uitkomst, maar niet beginpunt der discussie zijn, tenminste voor de partijen (Voor de uitvoerende macht ligt het uiteraard anders; die vertegenwoordigt in beginsel het compromis). Ons politieke leven van vandaag leeft bij de gratie van het compromis om het compromis. Dat bleek bij de laatste crisis, dat bleek bij het debat over de crematie. Het is de enige constante in de wisselingen der politiek. En ondertussen wordt „De weg naar vrijheid” stoffig. En ondertussen groeit het onbehagen, omdat niemand meer heldere lijnen ziet, omdat het gilde der professionele kankeraars-ter-zijde groeit en meer aanhang krijgt.

Ik kan het niet anders zien, dan dat hier maar één redmiddel is: onze partij zal een principiële politiek moeten voeren; zal nimmer het compromis als zodanig mogen verheerlijken en zal daardoor de groeiende tegenzin tegen haar koers zodanig moeten aanwakkeren, dat ze eindelijk een volwaardige tegenstander op haar weg ontmoet. Het is een weg, die vandaag door een donker dal voert, maar op den duur naar licht en overwinning. Immers ook dit is democratie: wie gelijk heeft, krijgt het, als hij maar geduldig is.

J. G. B.