is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 23, 11-06-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wonen”. Van de manier waarop bestaande woningen en hun inrichting door de bewoner met eenvoudige middelen kunnen worden aangepast en verbeterd geeft de afdeling „Bij U thuis” practische voorbeelden. Het is een stuk eerlijkheid in de wooncultuur.

Over een luchtbrug I>e Brug der Kennis waarop een boeiende, aanschouwelijke voorstelling wordt gegeven van de verschillende onderwijsvormen in Nederland met verwijzing naar de groepen van beroepen, waarvoor de diverse onderwijsdiploma’s de deuren kunnen openen, komt men in het parkgedeelte. Daar is de Nederlandse landbouw en veeteelt en alles wat daarmee te maken heeft op een levende wijze tentoongesteld.

Daar is ook de modern ingerichte televisiestudio waar een groot aantal toeschouwers de programma’s van dichtbij kan volgen. Ik zag de eerste uitzending, aangeboden door de gezamenlijke levensverzekeringsmaatschappijen aan de Bloedtransfusiedienst van het Rode Kruis en de reclame was niet storend, bestond uit een summiere aankondiging aan begin en eind.

Heeft men dit alles en nog veel meer gezien, dan is er nog de „Unifesti”, een complex van allerhande vermakelijkheden, exotische bars, dancings en culinaire attracties.

Er zijn twee dingen die op de E 55 op deze Nationale Manifestatie van Nederlandse Energie ontbreken. De ontwrichtende gevolgen van de industrialisatie en... de kerk.

In afzonderlijke afdelingen wordt de aandacht gevestigd op jeugdzorg, jeugdwerk, reclassering, maatschappelijk werk in de bedrijven en het sociëteitswerk onder de bejaarden. De zeker noodzakelijke en misschien wel wat met de hand op de borst opgehemelde industrialisatie heeft echter ook grote schaduwzijden. De ernstige gemeenschaps-ontbindende en gezinsverband ontwortelende tendenzen die een steeds sneller voortgaande industrialisatie vooral op het platteland in uit de grond gestampte fabrieksdorpen teweegbrengt, zijn dikwijls ontstellend. Is deze kant misschien met opzet verdoezeld om de feestvreugde van de herwonnen welvaart niet te verstoren? Het is mogelijk.

Anders staat het met de kerk.

De kerk heeft bij de organisatoren van de E 55 geen voet aan de grond kunnen krijgen. Geen standruimte was te bemachtigen. Mogelijkheden iets te laten zien van de energie, waarmede de kerken en in het bijzonder de Ned. Herv. Kerk vele nieuwe taken aanpakten op sociaal en maatschappelijk terrein, arbeidden in deze tien naoorlogse. jaren, konden niet verwezenlijkt worden. Kansen om het hek van het op het tentoonstellingsterrein liggende Noorse kerkje voor bezoekers van de E 55 open te zetten, om daar via korte alledagdiensten een woord tot de wereld te kunnen richten, konden niet worden benut.

Buiten het tentoonstellingsterrein laat de Stichting Interkerkelijk Actie Comité E 55 thans borden met opschriften aanbrengen bij de verschillende protestantse kerken. Over enige weken zal bij de Noorse kerk een ruim acht meter hoog kruis worden opgericht. De contouren zullen ’s avonds met groene neonbuizen worden verlicht. Van 17 Juni t/m 16 Juli zal gedurende 10 minuten in het televisieprogramma een toespraak worden gericht tot de bezoekers van de E 55 om zo mensen te bereiken, die men normaal moeilijk onder het gehoor krijgt. Zo zal de E 55 nog niet helemaal Energie zonder Evangelie worden. GEKARD J. KOOLHAAS

De revolutie van Bourguiba

De terugkeer van de leider der Tunesische Neo-Destour uit zijn ballingschap is een éclatante gebeurtenis geworden. Want aangezien de Tunesiërs nu ook eindelijk hun onafhankelijkheid goeddeels hebben verworven, was zijn aankomst als het ware het symbool voor de vrijheid, die op Tunesisch grondgebied voet aan wal zette.

Er is overduideiijk gebleken, dat Bourguiba vrijwel het gehele volk achter zich heeft. De gebeurtenissen, die gekenmerkt werden door een geestdrift zoals niemand der Fransen mogelijk had geacht, hebben voorgoed een einde gemaakt aan de verzinsels, waarmede de Fransen zich in hun gehele Noordafrikaanse gebied nog moed proberen in te praten. Er is geen sprake van, dat de volksbeweging in Tunis in zich zelf verdeeld is; dat het volk alleen maar is opgezweept door een paar heethoofden. Zoals dit nu duidelijk voor Tunis is komen vast te staan, zo zal de situatie ook zijn in Algiers en Marokko. Het steeds voortdurende rumoer, dat daar langzamerhand op een burgeroorlog begint te lijken, wijst op de brede grondslagen die de nationalistische beweging ook daar heeft.

De Fransen mogen blij zijn, dat juist Bourguiba de grote man in Tunis is geworden. Want dientengevolge kunnen zij er zeker van zijn, dat de Tunesische nationalisten met een zekere matiging aan de slag zullen gaan. De eerste daad van Bourguiba is geweest de Tunesiërs op te roepen tot matiging en samenwerking met de Fransen. Hij heeft erop gewezen, dat een land als het zijne er naar moet streven de band met de Westerse wereld te handhaven, omdat uit die samenwerking op den duur de welvaart kan groeien, die het land nodig heeft.

Dit gebaar is heel belangrijk. Het houdt een duidelijke afwijzing in van de politiek van de Arabische Liga. Bourguiba wil een andere weg inslaan dan landen als Egypte, Syrië, Irak, Iran en Jordanië. Hij wil geen vervreemding van het Westen, maar een goede samenwerking, zij ’t dan op rechtvaardiger grondslagen dan tot nog toe het geval is geweest. De voorrechten van de Franse kolonisten zullen onder zijn bestuur waarschijnlijk snel verdwijnen. Maar hij stelt er in elk geval nieuwe rechten voor in het vooruitzicht.

Een dergelijke poiitiek van verzoening kan alleen slagen, als beide partijen Tunesiërs en Fransen meewerken. Wat het laatste betreft, daaraan mankeert nogal wat. De Fransen in Tunis zien hun positie ondermijnd. Zij geloven nauwelijks in samenwerking met degenen, die gisteren hun knechten waren. De omschakeling is uiteraard moeilijk.

Het gevaar bestaat dat een aantal hunner zal doorgaan met verzet en terreur. In dat geval zijn de gevolgen nog niet te overzien. Het is meer gebeurd in dergelijke gebieden, dat juist de onwülige blanken door hun houding de weg hebben bereid voor een extremer nationalisme.

In Marokko, waar het Franse beleid veel minder verstandig is, en waar nationalistische leiders van de grootte van Bourguiba ontbreken, is de situatie heel wat moeilijker. De Franse regering heeft een gehele extra-divisie moeten zenden om te trachten aan de opstandigheid het hoofd te biedien. Ondanks dat wordt de toestand van jaar tot jaar en nu zelfs al van maand tot maand slechter. Het grote probleem hier is, dat de Fransen voor Marokko nog iang niet toe zijn aan een afstand van invloed, als waartoe zij (na oneindig lang treuzelen) op het laatste nippertje in Tunesië zijn overgegaan.

Bovendien wordt het Marokkaanse vraagstuk bemoeilijkt door de kwalijke invloed, die van Spanje uitgaat. De Spanjaarden, die het in hun gebied eerder slechter dan beter doen dan de Fransen, laten niet na bepaalde nationalistische groepen tegen de op te stoken.

Een andere moeilijkheid is, dat in Marokko de sociale en economische verschillen tussen de inheemse bevolking en de kolonisten nog veel groter zijn dan in Tunis. Het vraagstuk is dientengevolge daar veel gecompliceerder. Er moet niet alleen naar het geven van onafhankelijkheid worden gestreefd, maar bovendien zullen de Fransen zelf aan de politieke vorming in Marokko moeten meewerken, wil er op den duur wat goeds van de onafhankelijkheid terechtkomen. Maar een dergelijk beleid vraagt een breedheid van visie, waaraan de Franse regering blijkbaar nog niet toe is. H. VAN VEEN

Opleiding Middeloo een beroepsopleiding voor jeugdleiders

Het is een algemeen bekend feit dat na de oorlog het tekort aan kader voor het jeugdwerk een bijna onoplosbaar probleem is geworden. In vele delen van ons land is men er zich van bewust dat een bepaalde vorm van jeugdwerk wenselijk is om een structurering van de ongeordende en soms chaotische jeugd te bevorderen. Zowel de kerk, gemeenten als verenigingen zijn de ogen voor de mogelijkheid hiertoe geopend; men is bereid aan de slag te gaan, maar de figuren die leiding kunnen geven ontbreken veelal.

Minder bekend is het feit dat sinds enige tijd de gecombineerde jeugdleid(st)ersopleiding Middeloo van Brienenoord op allerlei wijzen bezig is een vorm te zoeken om aan dit tekort aan leiding tegemoet te komen. Deze opleiding doet een beroep op jonge mensen die zich met inzet van hun hele persoonlijkheid aan het jeugdwerk willen geven. Om in dit werk te slagen is het nodig dat men naast warme belangstelling voor het kind, beschikt over

een nodige dosis humor, doorzettingsvermogen, een gezond verstand en een inzicht in de problematiek van het werk met groepen. De dynamiek van een groep kan men pas begrijpen wanneer men bewust lid van een groep is geweest: het internaat geeft hiertoe de gelegenheid. Ook zelfkennis is onontbeerlijk, vandaar de lessen in ontwikkelingspsychologie en groepspsychologie. De mogelijkheden die in creatieve vrije-tijdsbesteding leven moet men zelf hebben leren kennen wil men iets hiervan aan anderen kunnen doorgeven: in de opieiding wordt een groot aantal uren aan culturele vorming, en practische vaardigheden besteed. Zij die nadere inhchtingen wensen kunnen zich wenden tot de opleiding Middeloo, Koningin Wilhelminalaan 1, Amersfoort.

Aan het eind van de opleiding wordt een diploma verstrekt, dat erkend wordt door de Nationale Federatie „De Nederlandse Bond tot Kinderbescherming” en de Raad van Advies voor Club- en Bumthuiswerk. Onder bepaalde omstandigheden geeft het diploma Middeloo toegang tot de tweede klas van de scholen voor Maatschappelijk Werk. Een beperkt aantal beurzen is beschikbaar.