is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 24, 18-06-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Vervólg van bladzijde 5)

ons onbegrijpelijk samengaan van roomsen, protestanten en anderen, gevoerd vanuit de „kulturpolitische” gezichtspunten. De onderwijswetgeving in Neder-Saksen werd onder de loupe genomen en daarmede de houding van de oude regering ten opzichte van het even genoemde concordaat met de Paus. Het schijnt dat er, zo niet op schrift, dan toch in woorden, een soort mandement je een rol heeft gespeeld en dat sommige propagandisten voor de CDU zich niet hebben ontzien op verkiezingsvergaderingen mee te delen, dat stemmen op de „godloze SPD” wel ten dage van het jongste gericht zijn vergelding zou vinden... Nauwelijks was de verkiezing achter de rug en de winst genoteerd of de „kulturpolitische” problemen, zomede de gehele onderwijswetgeving verdwenen uit de kolommen der CDU-bladen en werden op sterk wafèr gezet, zodat de vraag gewettigd is, of ooit tevoren een leugenachtige propaganda zo schaamteloos is gevoerd, met medewerking van de bondskanselier zelf.

Wat zal men zich bij dit alles dan bovendien nog zeer verwonderen over het feit, dat een man als Leonhard Schlüter dat „Kultusministerium” onder zijn hoede kreeg?

Deze Schlüter, nu dus pas 34 jaar oud, trad het Nedersaksische parlement binnen als voorzitter van de „Deutsche Rechtspartei”, ging eind 1951 over naar de FDP (Freie Deutsche Partei) en werd na enkele dagen de fractievoorzitter van deze partij, afe opvolger van de onbesproken Oberbürgermeister van Göttingen, Föge. In de eerste jaren na de oorlog was Schlüter de voornaamste exponent van het rechtse radicalisme in Neder-Saksen en de auctor intellectualis van de neo-nazistische verkiezingsactie, die in 1948 in binnen- en buitenland als een onveilig signaal werd gezien. Nog in 1950 meende Schlüter in een vergadering te moeten zeggen, dat „de gezondste beweging in Duitsland sinds de eeuwwisseling het nationaal-socialisme is geweest.” Hij kondigde vervolgens aan „de dag van het nationale verzet tegen Adenauer,” als „protest tegen de infame schande om met een Duits contingent troepen in een Europees leger te marcheren.”

Het is met dit alles geen wonder, dat Schlüters optreden de overheid herhaaldelijk aanleiding gaf hem eens wat beter in de gaten te houden.

Want deze Schlüter heeft ook een verleden uit de nazi-tijd. Toen scheen het voor hem, die half jood is, geen moeilijkheden op te leveren zijn studie in de rechten aan te vangen. Die studie heeft hij niet voltooid, maar scheen toch zover gevorderd te zijn, dat de bezettingsautoriteiten in 1945 van zijn aanbod gebruik maakten en hem tot een soort politiechef in Göttingen benoemden. In 1947 werd hy uit die functie ontslagen met de titel van „Kriminaloberinspektor auf Probe”, en dat zijn titels, die in Duitsland nooit meer van visitekaartjes en uit rouwannonces verdwijnen, ook al zal dat „auf Probe” spoedig tot twee letters zijn gereduceerd, in de overtuiging dat na korte tijd niemand meer weet (maar er heel veel van denkt) wat a.P.” wel kan hebben betekend. Maar, dat ontslag kwam dan toch en nog wel omdat door de bezettingsmacht een strafgeding tegen hem aanhangig was gemaakt. Intussen ving Schlüter een nieuw leven aan. Hij werd in Göttingen uitgever en verzorgde met voorliefde geschriften van vroegere nazi-groten. Om er een paar te noemen: van de eerste chef van de Gestapo Rudolf Diels, van de beruchte Klagges, de vroegere minister-president van Bnmswijk. Eind 1954 werd door de Nedersaksische landdag Schlüters parle-

mentaire onschendbaarheid opgeheven, toen de minister van Binnenlandse Zaken bij het gerechtshof in Göttingen een gegronde aanklacht tegen Schlüter had ingediend wegens omkoping van ambtenaren in functie. Deze procedure wacht op behandeling en uitspraak.

Als men nu dit alles weet, en dat weet in feite heel Duitsland, dan is het duidelijk, dat de benoeming van deze duistere figuur tot uitgesproken minister van Onderwijs, overal een schok heeft gegeven: bij roomskatholieken en protestanten, aan de universiteiten en in het korps van docenten en leerkrachten bij het volksonderwijs. En met recht wordt aan minister-president Hellwege de vraag gesteld, of deze man ook maar ooit de geringste kans had moeten verkrijgen om in het geestelijk en cultureel leven van het land één woord te kunnen meespreken, en of er niet iemand gevonden had kunnen worden, die een minder verdacht en een onbelast verleden had. Maar, wanneer men bedenkt, dat de nieuwe minister-president Hellwege tot op de

dag van zijn verkiezing een van de vele werkloze onderministers van de Westduitse Bondsstaat was en al jaren lang maar één doel nastreeft, dat hij nu heeft bereikt en dat gereserveerd was voor de vorig jaar plotseling overleden president van de Bondsdag, Ehlers, dan begrijpt men er misschien iets van hoe het ene ellenbogenwerken de baan heeft vrijgemaakt voor dat van een figuur als Leonhard Schlüter.

Overigens: laten wij ons niet al te bezorgd maken en te spoedig zeggen: zo is dus Duitsland. Want de kritiek op dit alles in Duitsland wordt allerminst onder stoelen en banken gestoken en het verleden van deze gevaarlijke charlatan wordt ropduit blootgelegd. En dat is dan weer gelukkig het andere Duitsland, dat afgerekend heeft met de lieden uit de goot, die in de dagen van Hitier alles voor het zeggen kregen. N. G. J. VAN SCHOUWENBURG

Na het schrijven van dit artikel werd bekend, dat Schlüter ontslag gekregen heeft.

Christelijk-Historische reacties

In de beide weekbiaden van de CHU, nl. de „Chr. Historische Nederlander” en „Koningin en Vaderiand” van 11 Juni komt een stuk voor van drie hervormde predikanten, waaraan door 14 andere hervormde predikanten, alien in Friesland, adhesie is betuigd.

Nu heeft de redactie van „Koningin en Vaderland” beloofd, volgende week op dit stuk terug te komen. In afwachting daarvan wil ik weergeven, wat de Friese predikanten bezwaart en alvast myn eigen commentaar, ais buitenstaander, op dit verschynsel geven. Wat betogen de mannen?

le. Ze zyn teleurgesteld door het „in principieel opzicht zwakke woord van de ook door ons hooggeachte voorzitter der CHU, de heer Tilanus, gesproken in de Tweede Kamer naar aanleiding van het R.K. mandement”.

2e. Ze zyn verbaasd over het stemmen van c.h.-leden ter Tweede Kamer tegen de motie-v. Sleen in zake kerkeiyke televisieuitzendingen.

3e. Het meest teleurgesteld zijn ze in de wijze, waarop volgens de pers de Kamerleden Reyers, Schmal en v. d. Wetering zich hebben uitgelaten over het Herderlijk Schrijven van de Synode, zy noemen de toon van hun spreken „beslist ontstellend”. Ook het zwygen van de heer Tilanus op de Algemene Vergadering van de CHU over het Herderiyk Schryven heeft hen verbaasd.

Zij wijzen erop, dat de CHU teveel in de AR-lijn getrokken wordt en dat de leiding van de CHU, krachtens art. 1 van diens beginselprogram meer blijdschap had moeten vertonen over het Hervormd Herderlijk Schrijven.

Tot zover de 3 plus 14 Friese predikanten.

Het is niet zonder zin, dat het juist hervormde predikanten in Friesland zijn, die protesteren. De Friese christelijk-historischen de schrijvers wijzen er ook op hebben dieper dan elders de invloed van Hoedemaker ondergaan en deze heeft steeds de gereformeerde antithese-gedachte als principe verworpen.

Overigens werpt dit feit licht op een voor de CHU pijnlijke situatie. Namelijk dat degenen, die actief in het politieke leven staan, kennelijk de voeiing missen met het Hervormd kerkelijk denken. Zij hebben eenvoudigweg de ontwikkeling in de Hervormde Kerk innerlijk niet gevolgd. Anders zou zulk een ernstige afglijding, waarop de Friese dominees wijzen, niet mogeiijk zijn geweest. Een afglijding, die over de gehele linie te constateren viel.

Een tweede feit komt bovendien in helder licht te staan. Namelijk dat deze predikanten kennelijk wel lid van de CHU zijn, maar daarin slechts terzijde functioneren. Er moesten blijkbaar maanden overheengaan, voor enige figuren de pen opnamen. De geringe doorstroming van de politieke gevoelens is duidelijk. Hieraan dragen de bovengenoemde predikanten mede schuld. Maar de diepste oorzaak is gelegen in het feit, dat de CHU geen politieke partij in eigenlijke zin is. Zelf zegt zij met trots een Unie te zijn, d.w.z. een samenvoeging van delen, die verschillende wortels hebben. Die samenvoeging vond overigens reeds in het begin van deze eeuw plaats, en men heeft veertig jaar gelegenheid gehad, aan elkaar te wennen. En daar ligt het ook niet aan. In werkelijkheid is een reactie als deze gevolg van politieke ongeïnteresseerdheid van de volgelingen, waardoor de mensen, die in de poiitieke vuurlinie staan