is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 25, 25-06-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Feestvieren in het gezin

n.a.v. Aafje Fokker „Spelen en feestvieren in het gezin”. Uitgave V. Gorcum, Assen, 4e dr., ing. ƒ2,50, geb. ƒ3,25.

Het wordt ons tegenwoordig wél gemakkelijk gemaakt.

We hoeven onze kleuters niet meer liedjes te leren. We zetten het kind maar bij de radio en dan leren ze wel meezingen met de tante of oom van het kleuteruurtje.

Voorlezen is ook al niet meer nodig. De radio geeft immers hoorspelen voor de jeugd. Zelfs ons sprookjesboek kunnen we wel missen, want er zijn pas weer nieuwe grammofoonplaten in de handel gekomen, waarop men de stem hoort van een onzer bekendste toneelspeelsters, die sprookjes van Andersen aan kinderen vertelt en die dat vast veel mooier zal doen dan u of ik.

Als je geen lust hebt je kind een verhaaltje te vertellen voor het naar bed gaat; er is wel iemand door de luidspreker te horen. Je kunt zelfs je kind per telefoon een sprookje laten vertellen, per abonnement om er in één keer af te wezen...

Als we een jarige zoon of dochter hebben, kunnen we met de vriendjes naar een

speeltuin gaan, of naar kindertoneel of -circus of naar de bioscoop, als we in een grote stad wonen of we vertonen thuis gehuurde kinderfilms, keuze genoeg.

Waarvoor zullen wij ons dan nog druk maken?

Ik weet uit ervaring dat het een uitkomst kan wezen, als je op een stadsbovenhuis woont, om „ergens heen” te gaan met een kinderfeestje en ik weet ook dat er soms goede kinderprogramma’s zijn over de radio, waarnaar ik graag heb meegeluisterd.

En toch geloof ik dat wij ons met mate! wel zelf druk moeten maken! Al dat gemak, dat men ons op wil dringen, het is wel makkelijk maar het is ook zo armelijk. Het brengt verarming voor ons en voor ons kind. Als er in een gezin nooit spelletjes worden gedaan en nooit eens tijd wordt gevonden om voor te lezen of plaatjes te kijken of te knutselen of te zingen, wat wordt het huiselijk leven dan dor en saai!

De verleiding is groot om „feestartikelen” maar even uit de winkel te halen, maar wat missen we een voorpret voor ons feestje, als we niet te voren een uurtje samen om de tafel hebben geplakt en ge-

knipt om slingers of mutsen te maken. Misschien blijft er naaiwerk om liggen, maar de stemming tussen de kinderen onderling of tussen jong en oud, die al dagen gespannen was, kan er merkbaar door opklaren, als we eens even samen gespeeld of geknutseld hebben en is dat niet nog belangrijker dan een lege verstelmand?

Maar nu kan het gebeuren dat we wel zouden willen, maar dat we niet weten, hoe we het thuis feestelijk kunnen maken, behalve met een feest-menu.

Zo arm zijn we geworden door al dat gemak, dat we uit boekjes moeten leren welke spelletjes we kunnen spelen in de huiskamer of in de tuin! Toch maar leren, ’t Is prettige lectuur, het boekje van Aafje Fokker waar in 1954 de 4e druk van verscheen. Als u het nog niet hebt, schaf het dan aan. Het kan u te pas komen op regenvacantiedagen, maar ook voor verjaardagen, Sinterklaas, Kerstmis, enz., want het geeft veel practische hulp. Het is eenvoudig, hartelijk geschreven en wat er geraden wordt, is uitvoerbaar zonder dat men hoge kosten hoeft te maken. Het lijkt wel eens of we eenzaam roeien tegen de stroom op, ais we onze kinderen willen voorleven dat je ook in en met het gezin ontspanning en feestvreugde kunt beleven. Zo’n boekje geeft dan weer bemoediging en hulp om niet maar stomweg te nemen wat „men” ons kant en klaar wil aanbieden, maar om zelf te zoeken naar eenvoudige vormen om bijv. de blijdschap over een jarige in huis tot een feestelijk gebeuren te maken.

R. B.—V. R.

Is de huurkwestie opgelost ?

r is rond de kwestie van woninghuur en huurwoningen nog steeds een gevoel van onbevredigdheid, hoe gelukkig de politieke moeilijkheden momenteel overwonnen schijnen te zijn. Het is toch zo, dat statistisch slechts ongeveer i deel van de bestaande woonhuizen door de eigenaar wordt bewoond. De rest is huurwoning en had de taak winst op te brengen, inkomen te verschaffen. Door de geldontwaarding die de oorlog volgde, zijn de nieuwe huizen veel duurder geworden, dus de huren van die huizen hoger. Hoger dan de in guldens niet zo sterk verhoogde inkomens van de gemiddelde huurbetaler.

De eigenaar van nieuwe huizen kan dus geen passende huur bedingen. Wie winst zoekt, bouwt dus géén huizen, zeker geen volkswoningen. Deze nieuwe woningen worden dus een last die de gemeenschap te dragen heeft.

Maar de eigenaar van oude woningen, vaak reeds afgeschreven, ziet zijn inkomen omhooggaan, zonder daarvoor iets te doen. Het is niet zo eenvoudig uit te maken in hoeverre de kleine eigenaar daarvan profiteert en in hoeverre de instituten en maatschappijen daaruit een abnormale winst gaan trekken indien deze huren worden opgetrokken tot het niveau van gelijkwaardige nieuwgebouwde huizen. Het is een vraagstuk, dat volgens billijkheidsoverwegingen niet is op te lossen. Het is ook een vraagstuk, dat ordening vraagt omdat in andere gevallen de huurder het kind van de rekening wordt. Ongelimiteerde huurverhoging door de wet van vraag en aanbod zou de huren tot ondraaglijke hoogte hebben opgevoerd indien geen socialistische overwegingen hun zij het geremde invloed hadden doen gelden, door de huren te fixeren.

Toch is op een gegeven ogenblik een verhogen van alle huren de enig mogelijke

oplossing, waarbij maatregelen dienen te worden genomen, om van de onoverzichtelijke en profiteerkansen scheppende toestand af te komen, waarbij de lusten voor de particulier, de lasten voor de overheid zouden komen. Om bovendien de vrijheid van de huurder om naar believen te kunnen verhuizen, niet aan z’n plaats gespijkerd door toevallige voordelige huurvoorwaarden, te herstellen.

De oplossing is door de particulier niet te geven, zélfs al zou hij willen. Hij gaat immers pas nieuwe huizen bouwen als de huren aantrekkelijk, dus onbetaalbaar, hoog zijn. Of indien de overheid hem helpt. En hij zal z’n kansen om de huur van oude huizen te verhogen zeker niet onbenut laten.

In zulke gevallen, waarbij de particuliere onderneming in gebreke moet blijven dien-

sten te verlenen, die de gemeenschap eist, wordt socialisatie het enige juiste antwoord, dat blijkbaar gegeven kan worden. Een maatregel, te meer verantwoord omdat de wijze waarop de gemeenschap minder zichtbaar in de kosten deelneemt steeds groter wordt. Bedoeld wordt hier, dat de verhuurbaarheid wordt bepaald door: steden-planning, industrialisatie, planologie, verkeer, orde, alle verdere maatregelen die bevolklngswelvaart waarborgen. De persoonlijke eigendom wordt hierdoor steeds van aanvechtbaarder waarde.

Indien het woningenbezit uitsluitend een gemeenschapszaak ware, dan zouden de moeilijkheden met één slag zijn opgeheven.

Deze wijze van handelen zou trouwens in overeenstemming zijn met het beginselprogram der PvdA, waarin o.a. in punt 3 wordt gezegd dat een aantal organen voor socialisatie in aanmerking komen en „voor het overige door beperking van de beschikkingsmacht de euvelen van het particulier bezit zijn opgeheven.” En verder in punt 10,

waar ordening en planmatige leiding worden gevraagd en „in die takken van de stoffelijke behoeftevoorziening, die niet of nog niet voor socialisatie in aanmerking komen streeft de partij naar beperking der particuliere beschikkingsmacht, waarbij het belang der gemeenschap, van allen die in het bedrijf werkzaam zijn en van de verbruikers, op de voorgrond staat.”

Aangezien in de productiegemeenschap Nederland er welhaast niemand is, die niet met de kwestie in de knoop zit, is nu het psychologisch en economisch juiste handelen: socialisatie!

Alleen: er zal nog een verkiezing te winnen zijn, op overtuigende wijze, alvorens de kloof tussen wens en mogelijkheid wordt overbrugd. Tot dien modderen we maar voort! E. M. BUTER