is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 25, 25-06-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als het maar met j e waardigheidsopvattingen strookte is die krant maar een groezelig geval. De Bijbel ook, maar dat weet je niet meer sedert een gekuist christendom de vuile en bloederige zaak van het kruis heeft geboend en gepolijst tot een sieraad voor de huiskamer en het kerkgebouw. Dat is echter een ander hoofdstuk, dat in deze week wel werd aangesneden, maar opzettelijk niet werd uitgelezen. Nu ging het erom dat ten slotte beide groepen het eens werden over de heersende nood. We gaven toe, dat we in het geheel van wereld en mensheid een bar klein beetje bedreven zijn in de welvaart, maar dat we te weinig terechtbrengen van het daarbij absoluut behorende welzijn. Mogen we onze grootouders geloven, dan hadden die van het laatste, ondanks gebrek aan het eerste, meer verstand en er meer hart voor. Dat geloof in die grootouders is trouwens zo lastig, dat iedereen, die toen in het gebouw in Kortehemmen aanwezig was, met wat schaamte en wantrouwen keek naar de hiervoor genoemde trots makende arbeid en naar het feestelijke leven. Terug is onmogelijk. Maar welke omstandigheden maakten het zo, dat onze grootouders nu voor wijs kimnen doorgaan, nu wij, nuchter of geprikkeld, onze dwaasheid moeten zien? En onze nood met de daarbij groot wordende machteloosheid in een wereld waar zoveel groots werk aan de winkel is en waar zoveel concrete mogelijkheden zijn voor feestelijk welzijn.

Machteloosheid. Want je ziet wel de kloof tussen welvaart en welzijn. Maar wat kun je doen. Je ziet zelfs je schuld inzake de puinhopen. Maar wat kun je anders doen dan puinruimen en misschien daarmee de kloof dichten? Het gesprek daarover nam in heftigheid toe. Er was een schuchter stichtelijk geluid over Christus. Er werd niet op ingegaan, omdat bij voorbaat vaststond dat dat nu juist de machteloosheidsuiting bij uitstek was. Er was het woord naastenliefde en dat klonk als een gefluisterd kinderverhaaltje. En toch! Hoe heftig het ook toe ging en met hoeveel bravour ook dierbare en geweldige idealen overboord werden gesmeten, toen de storm was uitgewoed, klonk dat schuchter stichtelijke en gefluisterd kinderlijke nog door. Het thema was immers: hoe gaan wij de wereld in. En op deze vraag kun je niet blijvend antwoorden: dat is mijn zorg niet. Voorzichtig kwam de vraag of Christus niet meer met wezenlijk welzijn te maken heeft dan met een preek. En of naastenliefde toch niet iets is, dat wel te maken heeft met practisch puinruimen, bij je zelf en bij de buurman.

Een soort conclusie was de opmerking, dat het mogelijk moet zijn de huidige vereiste verantwoordelijkheid te leren. Met het hart. En dat taai en blijmoedig volhouden een normale zaak is als je probeert de naaste en je zelf wezenlijk welzijn te bereiden. Wie je dat taaie volhouden opdraagt en mogelijk maakt? En waarom de mens voor welzijn in plaats van voor puin bestemd zou zijn? Weer viel het woord Jezus Christus. Niemand echter die het nu nog met een ongeduldig gebaar als flauwe stichtelijkheid van zich kon doen.

Ik heb geprobeerd iets van de heftige bewogenheid en nuchtere eerlijkheid van dat urenlange gesprek door te doen klinken. Nu ik het overlees, lijkt het alsof er alleen maar enthousiaste leraressen en leraren waren en geen jongeren. Zo was het echter beslist niet. En dat het toch zo lijkt, is mijn schuld niet, zoals ook zal blijken uit wat de volgende en laatste maal nog verteld moet worden.

SJ. BIJLEVELD

Het teken

De Godd’lijke Comedie was een groots, vervaarlijk visioen wat kan een dichter

ooit méér dan mens zijn, zichtbaar kind des doods?

Dat maakte wanhoop zwaarder, ’t uitzicht lichter om wat ons eeuwig redt, ondanks de pijn, de woestheid en verblindheid, waar de Stichter,

de Schepper zélf van wist. Zo werd ook mijn ontsteltenis om ’t zelf verniet’gend breken van grond, die ons een weelde en lust moest zijn.

een niet te dragen wanhoop. Maar het teken, dat ik verwachtte kwam: Gods Liefde greep de Aarde als mantel uit de waterbeken

en sloeg het vuur er uit als met een zweep zo klappend. Damp trok op en ’t uitzicht open en vóór het mensdom alles goed begreep.

mocht het, ontwaakt, toch op wat leven hopen. Was het een droom? Is ’t werk’lijk zo geschied? Men moet niet met een dichter bloemen kopen:

een boon in ’t zand en ’t bloeit al op zijn lied! ’t Is liefde die als and’ren er om smalen in het vanouds bekende een wonder ziet

en men zich af vraagt: wat is het normale? waarop men evenmin een antwoord vindt. Dat zo de zon der liefde ons bestrale.

hoezeer zij ook verheldert of verblindt de liefde is voor de mens begin en einde als eb en vloed, die wegschenkt en verslindt.

Dit zij ons dan hoog boven ’t klein omheinde, door haat en nijd verdeelde, aardse land Gods zegening, als oerbron van het Zijnde,

gered uit alle zelfzucht van ’t verstand.

G. K.