is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 26, 02-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jeugdbeweging en vereniging te kort in aantrekkelijkheid en gemeenschapsbeleving, dat wel driekwart van deze jongeren nooit meer hadden beleefd dan, om het zo maar te noemen, de gemeenschap van balzaal en bioscoop?

Dan was er dit, dat we allemaal, jongeren en ouderen, heel zeker en critisch konden zijn als het er om ging de fouten en noden, de machteloosheid en negativiteit, de angst en onverschilligheid vast te stellen, maar dat er onzekerheid, hulpeloosheid en zelfs argwaan ontstonden als we probeerden zin en verantwoordelijkheid, opdracht en achtergrond van het leven vast te stellen. Zeker driekwart was wat je noemt onkerkelijk. Wat is er allemaal gebeurd, dat het Evangelie zo van blijdschap en vertrouwen, van kracht en toekomst is losgeraakt, dat heel velen er eigenlijk maar liever niet eens meer over praten?

Ook was er dit, dat een klein getal jongeren bleek krampachtig voor nu en straks vast te houden aan „voor-oorlogse” idealen, eisen en voorstellingen, welke van huis uit hun in handen waren gespeeld, en ze wisten, maar wilden toch niet geloven, dat dit alles lang niet altijd meer klopt buiten de muren van het ouderlijk huis. Terwijl de meerderheid der jongeren dat wel wist en dus die dingen hadden afgeschreven, maar „fatsoenlijk” bleven. Zoals hun dorpse stad en dorpen fatsoenlijk zijn. Hoelang zij dat werkelijk zouden zijn en blijven, daar hadden ze eigenlijk niet over nagedacht. En hoelang zullen wij, de omgeving dezer jongeren, met een lamme angst en hulpeloosheid zo onze kinderen volwassen zien worden?

Verder was er dit, dat deze jongeren bewonderenswaardig scherp en helder hun gedachten lieten formuleren bij monde van hun prominenten en kinderlijk onhandig werden als ze zonder aanwijzing iets moesten uiten of doen. En zich op een bepaald moment, vrijwel zonder verontschuldiging overigens, hevig schaamden over een mislukking. Met daartegenover de ijver en het enthousiasme het opgedragene, gevraagde en verwachte zo goed en zo mooi mogelijk af te leveren. Is er in deze eeuw van het kind ook een soort apenliefde, die de kinderen alles uit handen neemt, zodat ze blijven zitten met een schaamachtige mislukking net zolang totdat ze zich niet meer believen te schamen?

Ten slotte was er dit, dat er tranen, bleke gezichten en verloren nachtrust kwamen, toen bleek dat de meisjes over het algemeen nuchterder naar deze week waren toegegaan dan hun al of niet stille aanbidders, die er vast op gehoopt hadden in die dagen een heerlijke tijd mee te zullen maken. Er waren er, die deze teleurstelling manmoedig doorstonden. Er waren er ook, die verdriet hadden als vierjarige kinderen die geen ijsco krijgen. Wij schreven dit maar toe aan het zeer vele dat verwerkt had moeten worden in die week. Zou dat echter wel zo geweest zijn voor die ijscominnaars?

En nu het laatste. Ruim anderhalf uur lang, heeft de hele groep, wisselend, zodat werkelijk iedereen er in meespeelde, voor ons, de ouderen, een taferelenspel opgevoerd waarin eigenlijk alle zaken die die week aan de orde waren gekomen, verwerkt waren. Het werd ons voorgezet zo, dat we van de buikpijn van het lachen met een schok werden gebracht tot ontroering over de zuivere wijze van beleving van deze week en dan weer met een formidabele salto kwamen tot het lachen over de ironisering van onze zwaarwichtige pogingen in de voorbije dagen, om vlak daarop weer stil te worden over de gespannen ernst die op ons afkwam. Alles zo

„schokkend”, zo onverwachts en zonder overgang dat we ademloos bijtijden het probeerden bij te houden, dan weer ademloos ons lachen moesten beëindigen om ons leven niet voortijdig te beëindigen. Groots en zuiver waren de toneeltechnische vondsten, geniaal en flitsend de cabaretachtige overgangen. Er werd boeiend gespeeld van het eerste tot het laatste woord. Amechtig waren we na afloop. Maar ook: stil-verwonderd en diep dankbaar. Stil verwonderd omdat nu gebleken was hoe zeer alles wat wij bedoelen met deze week, de jongeren geraakt had. En dat ze het hadden verwerkt, zo duidelijk en zo intens, dat het er nu uitschoot. Diep dankbaar, omdat dit

mogelijk was geweest. Mogelijk ondanks onze eigen onzekerheid en halfheid, ondanks onze eigen bitterheid en moeheid. Na aftrek van een normaal meespelende ijdelheid bleef over deze zekerheid, die door de jongeren ons allen voor ogen was gespeeld, dat wij allemaal samen iets hadden ontvangen en ondergaan, dat sterker is dan alle energie, die een mens ooit zal kunnen misbruiken.

Ons thema was: hoe gaan wij de wereld in?

Voor mij is het nu een normale vraag, die je stelt samen met anderen, op verzoek van God. SJ. BIJXiETVEILiD,

CRISIS-VREES

Er zijn van die indringende koppen, door een scherpzinnig schrijver bedacht, die zo irriterend werken, dat ze niet worden vergeten. „Het jaar van de crisis die niet kwam” is hier aan de orde. En irriterend omdat de strekking was, dat het onverwacht goede, dat de schrijver over 1954 wilde vermelden, niets met het redelijk werken en denken van mensen te maken had; dat we de feiten hadden te aanvaarden als een zomeronweer, epidemie, aardbeving. Het aanvaarden van een hoge graad van weerloosheid. On-socialistische weerloosheid!

Ons koesterende in een mysterieuze „hoog-conjunctuur” hoe geladen met magie is dit huiverwoord verwachten we bijna bevangen van angst voor het blijvendgoede, dat de oude tijd van crisis zich weer melden zal zoals na een mooie zomer toch onafwendbaar de winter komen moet. En omdat deze winter langer wegblijft dan gedacht werd, is er niet de vreugde om het verlengde schone maar een nerveus „ik wou dat die winter nu maar eens kwam” stemming.

Die winter, die economische neergang, met velen werkloos, zaken die failliet gaan, kiezers die een uitweg in het extreme zoeken. Paniek en psychose.

Zij, die min of meer direct met de tastbare en meetbare factoren der productie te maken hebben, hebben het moeilijk als zij van deze stemming kennisnemen, als zij de onafwendbaarheid van een crisis te slikken krijgen. Want zij vragen zich als analyseerders van nature af, wat er toch gebeurt of dreigt te gebeuren. Om zich zelf niet voor de gek te houden.

Zij redeneren bijv. als volgt: stelt u zich voor, dat op een dag de burgerij in Assborough verstoken bleef van electrische stroom, met al de narigheden dientengevolge. De to stellen vragen zijn dan: zijn er geen kolen meer? Dat zou naar zijn. Is de centrale in de lucht gevlogen? Dat is

vreselijk, vooral als er mensenlevens mee gemoeid waren. Is er een staking zijn er geen arbeiders meer—zijn die ziek? Erg: daar moet gauw wat aan gedaan worden. Enz. Maar als dat nu alles in orde blijkt en de stoomveiligheden (het is een Engels nogal ouderwets ingericht bedrijf, lezer!) staan te blazen omdat er energie in overvloed opgewekt wordt (kan worden), maar dat bijv. de verbruiksstorlng te danken is aan het ontbreken van mimtmeterpenningen, die in een tragische nacht werden gestolen omdat de dief dacht dat ze iets kostbaars waren en vergeten werd, deze tijdig weer aan te maken, ja, wat dan? Dam maakt u wellicht een onhoffelijk gebaiar naar uw schuddende middenrif en gelooft met een wijs gebaar: dan kan ons niet gebeuren. Want waar kolen, en arbeiders, en onbeschadigde machines zijn, daar Is stroom.

En nu leven wij in een periode van hoogconjunctuur. Welke inhoud zullen wij dat woord geven? Is er iets toverachtigs in? Of iets heel gewoons? Alle arbeiders werken. Wat hun wens, althans wat economisch de bedoeling is. Waarom zou dat veranderen? Er is een groot, nieuw productie-apparaat, dat steeds nog weer tot hogere topprestaties in staat blijkt. Waarom zou dat veranderen als er grondstoffen zijn? En die zijn er in een steeds vloeiende onafgebroken stroom. De enige storende factor is die afbuigende stroom naar de oorlogsindustrie. Het is dus even normaal, een groeiende goederenstroom te verwachten als wij verwachten dat een baby groter wordt. Tot er een natuurlijke oorzaak is, die de groei remt, die tot teruggang voert. Dat zijn dan bij de mens biologische factoren, resulterend in de dood. Dat kunnen en mogen in het economische proces alleen tastbare en meetbare factoren zijn als: uitputten van de mijnen, oliebronnen, de bodem. Teruggaan van de bevolkingsdichtheid, ziekte en oorlog. Andere oorzaken, althans oorzaken van