is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 26, 02-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenzaamheid de nood van millioenen

Het is u natuurlijk óók wel eens gebeurd, dat in de ry voor het loket in het station, of onder de wachtenden in het postkantoor, zo maar iemand voor u zich half omdraaide en van zyn huiseiyke omstandigheden begon te vertellen. Zelf hoorde ik althans op deze wijze kort geleden in twee minuten een stuk levensgeschiedenis. Je kunt dan denken: wat heb ik daar nu mee te maken? Of: is dat nu niet een gestoorde man? Onder dit verzamelwoord brengen we tegenwoordig al gauw menigeen onder... Maar je kunt ook iets anders doen. Vooral als zoiets je meermalen passeert. Je kunt op zoek gaan naar een verschynsel, dat misschien geen psychiater onder de ziektegevallen zal rubriceren, maar dat toch op een gesteldheid duidt en zelfs 'mogelyk wel op een kwaal: de eenzaamheid. Die schept een overdreven behoefte om maar te vertellen, te praten, mee te delen. In de volle wereld zyn miilioenen eenzamen. Die millioenen en op een of andere wyze behoren wij er ook toe zijn levenslang op jacht. Naar geld, naar succes, naar erkenning, naar positie en een beschermd bestaan. Alleen: niet naar vrienden. Och ja, er is „aanloop” genoeg. Maar ook in die aanloop zit een stuk van die zelfde jacht. En waar blijft degeen, die het niet haalt? De redacteur van het blad „De Open Deur” is onlangs in Beriyn geweest en hij heeft iets gehoord van een groot aantal zelfmoorden en pogingen daartoe, die dagelijks voorkomen. Alleen in Beriyn? Omdat daar nu juist een bijzondere situatie is? Graham Greene beschrijft in zyn bundel „De paradox van het Christendom” een land in het noorden van ons werelddeel, waar de sociale voorzieningen zo tot 'in de perfectie zijn door- en opgevoerd, dat er voor niemand practisch nog iets te wensen overblijft. Maar, er is geen blijdschap, geen werkeiyk gulle lach, geen onzin. En zelfmoorden zyn aan de orde van de dag. Eenzaamheid is een ziekte van onze dagen. Het feit, dat gezelschapsreizen met autobussen, in treinen met dansgelegenheden en bars, duizenden aantrekken, die Europa doorkruisen en meer dan Europa (en dan is er vaak veel „gelachen”!), spreekt hier voor zich zelf. Zoals ook de vele advertenties. Waarin gezelschap wordt gevraagd voor theaterbezoek, voor gedachtenuitwisseling, en zoals het wrange verhaal van de jonge vrouw, die, heel de dag op een druk kantoor, en heel de avond uit, moest zeggen: de enige stem, die me menselijk aanspreekt is die van de omroeper, als hij ’s avonds om 12 uur mij goede nacht en welterusten wenst.

Hoe meer wij op elkaar komen te wonen en te leven, hoe meer wij ons laten opzuigen in werk en taken, des te meer lijkt het wel dat wij ons innerlijk verwijderen van onze medemensen. De innerlijke eenzaamheid, het gevoel niemand te hebben, die er voor óns is en voor wie men iets zyn kan het behoort tot de offers, die wij allen ergens schynen te moeten brengen aan wat dan vooruitgang heet. Wij hebben immers allen onze eigen zorgen? Moeten we die van de buurman er nog bij nemen? Dat zeggen niet wij alleen; dat zeggen millioenen mensen in de wereld zoals wij allen en iedereen voorbij lopen in de over-

vulde straten van onze steden, woordloos plaats nemen in de rij van de bioscoop en niet eens weten, wie er naast ons heeft gezeten, ook al niet in de kerk, ongeïnteresseerd als wij dikwijls zijn: in de ander, liefdeloos, eenzaam.

Hoe kunnen wij weerwerk, belangstelling van anderen verwachten, als wij zelf nauwelijks bereid zijn ons voor anderen te interesseren?

De Engelse dichter H. G. Wells heeft getracht de mensen van overmorgen te tekenen: een min of meer genormaliseerd standaard-type, dat niet veel anders is geworden dan een robot, een mechanisme van daden en handelingen, zonder eigen leven. De vraag is alleen, of dit type mens al niet werkelijkheid is? Wij zijn bereid om te zeggen, dat nergens de innerlijke eenzaamheid zo groot is als in Amerika. Maar, geldt het niet voor Europa? Daar, maar ook hier worden de vluchtheuvels uit de een-

zaamheid bij duizenden gebouwd. De televisie is voor velen toch alleen maar een tegengift tegen de inneriyke verveling, tegen het alleen-zyn. Wie kent niet de mensen, die van ochtend tot avond de radio hebben aanstaan, alleen om niet zonder geluid te zyn. Werkelijk hóren doen ze niet. Of de anderen, die de bioscoop tot in het dolle frequenteren, en de werkeiyk goede films overslaan, of, erger nog, verslaafd zijn aan narcotica, van sigaret tot tablet?

Is er een remedie? Menigeen heeft al lang ontdekt, dat bioscoop en danslokaal geen werkzaam genezingsmiddel zyn om aan de eigen eenzaamheid te ontkomen. De eigen zorgen en angsten blijven. Indien deze nu eens werkeiyk een ogenblik op zy werden gezet en mensen zich verplaatsen in de situatie van anderen, hen trachten te begrypen en proberen tot een werkeiyke belangstelling voor de ander te komen wij en zy zouden ontdekken, dat ook onze situatie die ander zou interesseren. En velen zouden niet meer alleen zyn, niet meer zó alleen. Het is toch een oud gebod, dat wy niets kunnen verwachten en ontvangen, als wy zelf niet geven? Hier gaat het om een kapitaal, dat moet worden uitgezet om rente te kunnen opbrengen. Want, laten wy er zeker van zyn: de ander is even eenzaam als wy!

N. G. J. VAN SCHOUWENBURG

Oordeel over de AJ C

De vaste onderwysmedewerker van „Trouw”, de heer T. M. Gilhuis, waakt met zorg voor de ziel van zyn medechristenen. In „Trouw” van 15 Juni ontleedt hy het verslag van het AJC-Pinksterfeest, nu voor de 25ste maal in Vierhouten gehouden. De heer Gilhuis heeft gepoogd, zich in de gemoedsgesteldheid van zyn mede-christenen in de PvdA in te denken, wanneer die in „hun lijfblad” bedoeld is Het Vrye Volk lazen, dat op Pinksteren mr. Abel Herzberg gezegd heeft, dat er nooit een geslacht gelukkiger leefde dan het huidige, dat Charlotte Kohier Prediker voordroeg, dat Evert Vermeer voor burgemeester van Vierhouten speelde. Die poging is hem kenneiyk niet gelukt.

Hy heeft, zo lezen wy in „Trouw” van 21 Juni, een brief van een der vooraanstaande leden van de PCWG gekregen. Die heeft duideiyk gemaakt, dat de AJC en de PvdA géén organisatorisch verband met elkaar hebben. Als een volwassene de PvdA kiest, behoeft hy voor zyn kinderen toch niet de AJC te kiezen. En bovendien: Evert Vermeer was daar als oud-AJC-er, niet als voorzitter van de PvdA.

Met dat antwoord is de heer Gilhuis niet gelukkig. Het is hem te formeel. Hij wil niet aannemen, dat de vroegere nevenorganisaties van de SDAP nu niets meer met de PvdA te maken hebben. En hy constateert dan, dat de arbeiders van de PvdA slechts in het NVV georganiseerd zyn, en dat de PCWG alleen maar voor de Vara-microfoon komt. En hy wil ook vasthouden aan het feit, dat het lid van de PvdA zich tot het socialisme bekeert, en dus tot de socialistische gemeenschap toetreedt, waartoe ook die andere organisaties behoren. Dus hij zal, consequent zijnde, wel degelijk verantwoordelijkheid moeten

voelen voor het doen en laten van de AJC. Tot zover de heer Gilhuis.

Ik word altijd een beetje bedroefd van zulk een betoog. Het verraadt namelijk zijn onvermogen om zich in de situatie, en het denk- en gevoelsleven van een ander te verplaatsen. Zeker, de heer Gilhuis moet zo schrijven. Want hij is gereformeerd. En dus behorend bij een gemeenschap, waarin verantwoordelijkheid om het belijden van een ander zwaar weegt. Ik versta dat, maar ik deel dat niet. Ik ben hervormd en daar ziet men de dingen in menige kring anders. Zonder mij nu op het formele vlak van discussie te begeven, zelfs toegevend dat men het probleem niet alleen langs deze formele lijnen niet benaderen kan, wil ik mijn oordeel over de AJC geven. De AJC, die met Pinksteren Abel Herzberg en Charlotte Kohier voor zich vraagt op te treden en waar Evert Vermeer, voorzitter van de PvdA, zijn bijdrage aan het geheel levert.

Laat ik vooral zeggen, dat ik in 1928 lid van de SDAP geworden ben, maar nooit lid van de AJC was. Dat ik in 1946 mee overgegaan ben tot de PvdA als „oud SDAP-er”, maar dat geen van mijn zes kinderen, allen in de leeftijd, van de AJC lid zijn geworden of dat zelfs maar wensten te worden. Ik schrijf dus als buitenstaander.

Het bestaan van de AJC is in de SDAP gezien als een verheugende bijdrage tot de opvoeding van jonge arbeiders in socialistische zin, al zijn er genoeg spanningen geweest tussen de AJC en de SDAP. Het was ook niet zo, dat de AJC opvoedde tot SDAPers. Een van de stille verwijten was juist, dat dit te weinig gebeurde.

Desondanks was er grote sympathie voor de AJC. Want hier werd een stuk opvoedingswerk aan buitenkerkelijke arbeiders-