is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 28, 16-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een kwestie van smaak

N.a.v. dr. o. Noordmans Gestalte en geest. Uitgave U.M. Holland. 1955. 382 blz. ƒ12,50.

Tagaste was waarlijk geen wereldstad, toen Augustinus (354—430) er bisschop was. Het was een dorp met boeren, echte boeren. Ze brachten de lucht van aarde, mest en zweet mee naar de kerk en als ze zich verdrongen rondom de preekstoel, vroeg de goede bisschop hun soms, wat achteruit te gaan: het werd Augustinus soms te benauwd en dat belette hem voort te gaan met zijn preek. De meeste van deze boeren zullen wel analfabeet geweest zijn. Maar dat belette Augustinus niet tot hen te preken met zulk een diepgang en zulk een heilige ernst, dat wanneer vandaag een dominee of pastoor die preken, goed vertaald, opnieuw zou voordragen, heel weinig, om niet te zeggen geen der dierbare gelovigen er iets van zou begrijpen. Als ik denk aan het publiek, tot wie Paulus’ brieven gericht zijn, kan ik hetzelfde opmerken. Ze zijn te moeilijk en toch werden ze in die eerste gemeenten der christenheid gelezen en herlezen.

Wat wij moderne mensen in de breedte gewonnen hebben aan informatie en inzicht, verloren we in de diepte. Onze preken lijden er onder en men moet het de predikanten niet kwalijk nemen als zij ons melkspijs voorzetten, licht verteerbaar en zoet gemaakt met vaak o zo flauwe geestigheden en actuele zinspelingen.

De kerk leeft nochtans en de Geest Gods blijft inspireren. Maar het kan ons, mensen

van vandaag, een grote verrassing zijn, als iemand ineens tussen ons over goddelijke zaken te spreken aanheft op een wijze en een toon, die niet onvergelijkbaar is met die der grote leraren uit het verleden. En de inspanning, die het ons aanvankelijk kosten mag om deze wonderlijke diepe gedachtenloop té volgen, wordt al spoedig beloond door het besef, dat we nu eindelijk een beetje beter verstaan, wat voor diepe gedachten de Bijbel ons aanbiedt, of beter: hoezeer de Bijbel ons aangaat. En werkelijk, het valt mee. Al spoedig voelen we ons thuis. Ik bedoel dit zeer letterlijk: met zulk een gids wordt de Bijbel, wat zij bedoelt te zijn: ons huis. Hier is nauwelijks geleerdheid voor nodig, maar de wijsheid uit het geloof, die ook aan de eenvoudigen gegeven wordt.

Dit alles mag wel eens nadrukkelijk gezegd worden n.a.v. het laatste boek van dr. Noordmans. Denk toch niet, dat ik overdrijf! Wie week-in, week-uit godsdienstige boekjes, brochures en boeken te recenseren heeft, wordt licht geblaseerd. Hij weet het zo langzamerhand wel. Met een enkel vriendelijk woord prijst hij ze aan, omdat ze goed bedoeld zijn, omdat ze in een behoefte voorzien, omdat ze, hoe simpel en gebrekkig ook voorgedragen, een zaak bepleiten, die hem allerinnigst aangaat! Maar dit boek is anders! Neen, ik overdrijf niet! Wie het van mij niet geloven wil, moge zich door een en ander beleren laten. Men kan prof. Miskotte noch scherpzinnigheid, noch critische zin ontzeggen. Geluk-

klg, dat deze gaven bij hem gecompenseerd worden door een aanstekelijk enthousiasme. Naar aanleiding van dit boek van Noordmans schrijft hij over de blijdschap die eigenlijk ieder zou moeten voelen: „een kerkvader in levenden lijve tegen te komen.”

Dat er over dit boek geen deining ontstaat, dat het niet een of andere grote officiële prijs ontvangen heeft, dit boek, zo magistraal gecomponeerd, zo helder geschreven, is eigenlijk een grof schandaal, tegelijkertijd symbool van deze tijd, die liever leest over compressiemotoren dan over theologie.

Het ver-uit grootste deel van dit boek is eenvoudig bijbelverklaring, die nog juist niet tot dogmatiek gestold is. Uit alles blijkt (men zie deel IV, dat meer technisch is), dat de schrijver de ontwikkeling der theologische wetenschappen niet alleen kent, maar beheerst. In dit boek echter blijft hij dichter bij ons, eenvoudige, argeloze bijbellezers. Hij neemt een bijbelse gestalte, een bijbels feit, een bijbels woord en verklaart het; niet meer, niet minder. Zijn methode is daarbij zo vanzelfsprekend, dat ze haast niet te omschrijven is, tenzij negatief. Hij overlaadt ons niet met archeologische filologische wetenswaardigheden.

Zijn kennis op dit gebied verraadt zich alleen door zijn zorgvuldig toetsen der vertaling. Hij stuurt ook niet aan op eenvoudige stichtelijkheid. Geen kwaad woord over stichtelijkheid, maar de bijbel is nu eenmaal geen stichtend boek, zoals bijv. „De navolging van Christus” er een is. Hij is ook niet bijster uit op actuele zinspelingen, die ons vaak zo laf smaken in preken van vandaag. Hij terroriseert ook ons gemoedsleven niet door gewaagde uitspraken. Hij verklaart slechts; hij verwijst naar een enkele verwante tekst en ineens begint de Bijbel voor ons te leven; het Woord Gods spreekt ons aan in zijn weergaloze oorspronkelijkheid. Hij leert ons verbaasd te zijn o.a. over het feit, dat we zelf niet lazen, wat hij ons zo terloops aan wijst.

Laat de theologen er nu maar hun conclusies uit trekken. Ons spreekt dit boek aan, omdat het zo weinig wetenschappelijk is, in de zin van abstract. Het werd een beeldengalerij; het is plaatjeskijken in de H. Schrift. Slechts in het allerlaatste deel, een goede vijftig bladzijden, gaat dit verhaal over in een betoog, aarzelend trekt de schrijver dan enige conclusies over het werk der H. Geest in de kerk.

Wie deze bladzijden volgen kan en niet duizelig wordt van de geweldige perspectieven, beseft dan dat dr. Noordmans denkt en schrijft in de ruimte der Oecumene, maar zonder een moment zijn afkomst te verloochenen: „issu de Calvin”.

Eerbiedig en bewonderend schrijft hij over Rome. Maar waar hij de grote geschilpunten benadert der Reformatie, de kwestie der Apostolische Successie en die der Sacramenten, ontwijkt hij de discussie niet, maar brengt de geloofstwist der broeders op een hoogte, van waaruit hij het gekibbel met teksten kan overzien en tevens overbodig maakt. Het gelijk van de Reformatie blijkt te berusten op de eigenmachtige werking van de H. Geest.

Het zijn boeken als dat van dr. O. Noordmans, die veel meer dan de E 55 en andere stunts dit jaar tot een goed jaar maken, een laar des Heren. J. G. B.

gen een bloedloze neutraliteit zou worden. Vanuit het NVV wordt er begrip voor getoond, dat ook als men op het standpunt staat, dat in deze tijd algemene vakbeweging de voorkeur verdient boven de christelijke organisatievorm daarmee niet gezegd kan worden, dat de motieven waarop de christelijk-sociale beweging is ontstaan, hun waarde hebben verloren.

Dat vanuit het NVV dit begrip kan worden opgebracht ligt volkomen in de lijn der ontwikkeling, welke zich in de laatste jaren in dit verbond voltrekt.

In de statuten van het NVV wordt erkend, dat er voor de leden van de bij dit verbod aangesloten organisaties een innig verband kan bestaan tussen religie en levensovertuiging enerzijds en maatschappelijk inzicht anderzijds. Daar gaat het over het individuele lid, waaraan ruimte wordt gegeven om in zijn arbeid voor de vakbeweging van dit innig verband te doen blijken.

Als richtsnoer voor zijn arbeid heeft het NVV de normen van naastenliefde, gerechtigheid, waarheid, verantwoordelijkheid en eerbiediging van de menselijke persoonlijkheid aanvaard.

Door het tonen van begrip voor de motieven welke achter de christelijk sociale beweging staan wordt in aansluiting op de genoemde uitgangspunten in de statuten volledig een streep gezet onder het verleden waarin de algemeenheid van de moderne vakbeweging als uitgangspunt had de neutraliteit, het zich afzijdig houden van geestelijke problemen, meestal uitgedrukt in de woorden; godsdienst is privaatzaak.

Volkomen consequent aan deze ontwikkeling verklaart het NVV zich bereid tot samenwerking met iedere kerkelijke of andere geestelijke stroming om de geestelijke ontworteling, waardoor een nihilistische en neutralistische gezindheid dreigt te ontstaan, tegen te gaan.

Wij maken ons geen illusie, dat ondanks deze ontwikkeling in de algemene vakbeweging het NVV nog vaak en lang als neutrale vakbeweging zal worden aangeduid of hoogstens humanistisch zal worden genoemd, omdat men hier in Nederland zo gewend is in zuilen te denken, dat er geen andere verstaanbare titel kan worden gehanteerd. J. VAN DER PLOEG