is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 29, 23-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Filosofie over de Tour

Met de Tour de France is het toch eigenlijk een eigenaardig geval. Natuurlijk, Juli kan men rekenen tot de komkommertijd, de ronde van Frankrijk is daarom een welkome aanwinst voor de dagbladpers, die verstoken van het gebruikelijke nieuws van het verenigingsleven etc. wel wat ruimte vullen kan.

Als men echter ziet op wat voor wijze menige krant aanvalt op de ruif: „tour” rijzen toch wel enkele vragen. De verleiding is groot een beetje over die tour te gaan filosoferen, er blijkt nog heel wat achter te zitten, meer dan ogenschijnlijk het geval is.

Allereerst iets wat men grappig zou kunnen noemen, als de achtergrond niet zo ernstig was. Het publiek, de man in de straat, ook het krantenlezend publiek, is weg van de Tour. Sportgebeuren nummer één, front-page-news! Toegegeven, er zijn inderdaad enkele kranten die er dagelijks in slagen het Tour-verslag zeer smakelijk op te dienen, het ook voor de niet-sportminnende lezer aantrekkelijk maken.

Het gekke is echter, dat, daar hadden we het een tijdje geleden in Tijd en Taak al over,* als „het publiek” wordt geconfronteerd met de politiek, werkelijk toch niet minder belangrijk dan de sport, ook niet los te maken van de sport al denkt men dat wel eens, de reactie is: „Politiek is niets voor me, geen zuivere koffie, unfair gedoe.”

Nu zal toch zelfs de meest doorgefourneerde Tour-fan nog niet willen beweren dat daar in Frankrijk een paar weken lang een zeer sportieve steijd wordt gestreden, waarin de edelste eigenschappen van de sportsman tot hun recht kunnen komen. Integendeel, ten eerste is de Tour business, big business zelfs, en komt de sport op de zoveelste plaats, ten tweede is de Tour bij uitstek geschikte onderneming voor gesjagger, oplichterij tj es unfair gedoe. Grappig, niet waar, het grote publiek keert zich van de politiek „niet fair” tot de Tour „wél fair”(?).

Er is nog meer te filosoferen.

In ons verzuilde land is de pers mee-verzuild. Vanzelfsprekend zouden we haast zeggen. Aardig is het nu om te zien hoe de confessionele pers aan de Tour-kluif snuffelt, men zou er graag van snoepen, een deel van het lezerspubliek wil Tour op het krantenmenu hebben, maar aan de andere kant is daar de mening dat het niet verantwoord is de Tour te brengen.

Voor de rooms-katholieke pers zijn er geen moeilijkheden.

De prot.-chr. pers echter, die rekening houden moet met de mening van die lezers, dat de Tour een verboden vrucht is voor de chr. dagbladpers, maar die constateert dat andere lezers naar de concurrentie gaan, die wél met de Tourverslagen uitkomt, heeft het erg lastig. Het gaat hier voornamelijk om de Zondagsheiliging.

Inderdaad draait de Ronde van Frankrijk door. Als we het wel hebben: twee Zondagen in de periode dat de „strijd” woedt, wordt doorgereden.

Nu zijn er prot. chr. dagbladen die ronduit de Tour naar de prullemand verwijzen.

Dit kan men af- of goedkeuren, maar het is in ieder geval consequent.

Er zijn ook prot.-chr. dagbladen, die de kool en de geit willen sparen, ze komen dagelijks met een Tourverslag (van het ANP of zo) en laten de op Zondag verreden etappe in het niet der vergetelheid verdwijnen. ’s Maandags geven ze de Zaterdagetappe d00r... Rest dan de vraag op welke dag de betrokken journalist dit verslag voor zijn krant heeft klaargemaakt. Die vraag wordt klemmender als het een ochtendblad betreft!

Met deze zaak komt eigenlijk de gehele Zondagssport in ’t geding.

De prot.-chr. pers doet niet aan Zondagssport. Ook daarin blijft men echter niet rechtlijnig doordenken, want indien er zich bijvoorbeeld bij een of andere sportgebeur-

tenis een voorval voordoet, dat een belangrijk nieuwselement bevat, dan komt het wel in de prot.-chr. krant. Dat collegajournalisten van „niet-chr.” bladen hiervoor in touw zijn geweest, wordt dan maar gemakshalve vergeten

In dit verband willen we het verhaal doorgeven, dat door de sportredactie van een landelijk prot.-chr. dagblad Zondagsmiddags gewerkt wordt om de Zaterdagmiddagsport persklaar te maken.

Bovendien echter wordt Zondagsavonds op de redactie van prot.-chr. ochtendbladen gewerkt om de Maandagochtendkrant te fabriceren. Er zijn bladen waar men om 8, andere waar men om 10 uur schijnt te beginnen.

Zondagsarbeid in de journalistiek is onvermijdelijk. Welnu, laten de voorstanders van de prot.-chr. dagbladpers dan open kaart spelen, en laat men niet, als het tegen de niet-prot.-chr. pers gaat, aan komen dragen met de stelling „Een niet-chr. dagblad is voor een christen onaanvaardbaar want de Zondagsheiliging is bij zo’n blad niet veilig.”

Misschien zou het Gereformeerd Jongelingsblad, dat onlangs in een beschouwend artikeltje de aandacht vestigde op de „noodzaak dat een christen een christelijk dagblad leest” hier ook eens wat over willen zeggen. D. SCHEPS

Zacheus

In een zeer helder beeld laat Jacobus zien, wat de uitwerking van woorden is zonder daden. Hij vergelijkt dit met iemand, die in een spiegel kijkt, een beeld in zich opneemt, maar dit weer kwijt is, zodra hij de spiegel de rug toekeert. Woorden zijn vluchtig en hebben geen „gezicht”, wanneer de daad daarmee niet verbonden is.

Op zich zelf is het echter even ongepast om alles van de daad te verwachten. Want het zal minstens zo vaak voorkomen, dat daden „geen gezicht” hebben. Zij blijven onpersoonlijk, zij zijn opwellingen, zij zijn goed bedoeld, maar het overdenken nauwelijks waard. Aan dit soort „daden” lijdt de wereld, maar niet alleen de wereld, ook de kerk.

Waar blijven de daden van de kerk? Waar blijft het antwoord op de maatschappelijke nood in Azië? Waar blijft een daad, die standhoudt tegen het hachelijke spel der bewapening? Eenvoudiger nog: waarom kan de kerk niet een einde maken aan bepaalde omstandigheden van de fabrieksarbeid, waaronder de gezinnen zozeer te lijden hebben, ja, met ontbinding bedreigd worden? Waar blijft de daad?

Er wordt veel over dit soort daden gesproken, maar vaak op de wijze van iemand, die op de kant gadeslaat, hoe een mens in het water bezig is te verdrinken. Men roept, dat er hulp moet worden geboden, men zegt, dat er heel snel moet worden geholpen, anders is het te laat. Maar men springt niet zelf, omdat dit allerlei gevolgen met zich meebrengt, die men niet aanstonds overziet.

Het is vaak meer nieuwsgierigheid dan liefde, die ons zozeer tot apostelen van de daad maakt. Maar bij Zacheus was het omgekeerd meer liefde dan nieuwsgierigheid, die in de vorm van een daad een beslissen-

de wending aan zijn leven gaf. Ogenschijnlijk is men het eerst geneigd aan nieuwsgierigheid te denken: een man, die vooruitloopt en dan in een boom klimt om maar niets van het schouwspel te missen. Als een jongen, die zich in een lantaarnpaal werkt om vooral niets te missen, wanneer de stoet voorbijkomt. Maar deze vergelijking gaat niet op. Want dan had Zacheus zich ongetwijfeld wel geschaamd, als hij aan zijn mede-tollenaars had gedacht en dan had hij natuurlijk niet de spot doorstaan, die zich zo gemakkelijk van een dergelijke situatie meester maakt. Neen, deze klimpartij heeft plaats vanuit een schuldgevoel en dat is de enige wijze, waarop Christus zich laat ontmoeten.

Dan komt de rest vanzelf. Ja, dan komt werkelijk de rest vanzelf. Ook het geld. De helft gaat naar de armen en wat ontvreemd is, wordt viervoudig teruggegeven. De waarde van deze daad schuilt in de vanzelfsprekendheid. Eckhart heeft eens gezegd, dat het een groot ding is, wanneer iemand ƒ 1000.— aan de kerk geeft, maar dat het een nog groter ding is, wanneer iemand aan ƒ 1000.— geen enkele waarde hecht.

Alleen door de liefde komt er „beweging”. Edt lijkt een dooddoener, een overbekende waarheid, die niemand meer durft uitspreken. Toch kan men het gehele christelijke geloofsleven en ook het leven van de kerk als een doorlopende meditatie van 1 Cor. 13 verstaan. De daad is een beweging en daarom zegt Buber: „Men kan zich wel op DE daad, maar niet op EEN daad voorbereiden.” Op deze wijze heeft Zacheus zich voorbereid en daarom zegt Jezus tot hem, dat hij „heden in zijn huis wil vertoeven.” A. F. L. VAN DIJK