is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 29, 23-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ZWAKKE GESLACHT

Laten we in de vacantietijd niet al te zwaarwichtig zijn. Dat betekent niet, dat we elkaar nu „komkommer”-verhalen gaan opdissen, maar dat we even bezig zijn met iets dat niet meteen tot ernstig probleem wordt en waarover we ons geen jaren lang behoeven te „bezinnen”, om dan eindelijk te zeggen, dat we „er nog niet mee klaar zijn”.

Binnen en buiten de kerk stond in de afgelopen weken de vrouw in het midden. In Nederland binnen de kerk, nu de 54 classicale vergaderingen van de Hervormde Kerk hadden te beraadslagen over het rapport „De vrouw in het ambt”. Er zijn natuurlijk onder deze classes colleges, die zonder veel omhaal van woorden, beginselen en teksten eenvoudig en in grote meerderheid besloten, dat het eenvoudig geboden is, ook evangelisch geboden, om juist in de kerk de vrouw dezelfde rechten te geven als de man. Er waren ook andere. Broeders zijn komen aanslepen met teksten, die moesten bewijzen, dat vrouwen in kerkelijke ambten eenvoudig het begin zijn van de ondergang van kerk en wereld. Hoewel deze broeders in andere opzichten natuurlijk helemaal niet meer doen, wat het oude testament, en dus in oude tijden, blijkbaar wet of mogelijkheid was, beroepen zij zich als het om de vrouw in het ambt gaat, bij voorkeur op wat oude tijden en oude wetten hebben gesteld. Niemand bijv. zal er meer aan denken om de buurman, met wie hij iets heeft, van z’n dak te gooien en er dan ongestraft van af te komen. Maar, zo hebben we ons laten vertellen, als de vrouw in het ambt ter sprake komt, dan bestaat een dominee, nog wel doctor theologiae het, om ernstig te waarschuwen. Want, toen eenmaal Mirjam zich ging bemoeien met de dingen des mans, kreeg ze prompt melaatsheid... Er staat dus, als dit allemaal doorgaat, de vrouwelijke ambtsdragers nog van alles te wachten, onder het beding dan, dat die dominee gelijk heeft en zich precies zal herhalen, «vat eenmaal blijkbaar moet zijn geschied.

JONGE DICHTER – Lorenzo di Credi (1459-1537)

In Zwitserland schrijft in het vooraanstaande dagblad „Neue Zürcher Zeitung” (van 5 Juli) een inzendster een soort „lof der vrouwen”. Dat is dan buiten de kerk. U weet wellicht, dat de Zwitsers over alles een „Abstimmung” houden; een nieuwe kleuterschool naar de urnen; een nieuw tehuis voor ouden van dagen naar de urnen. Zo is er bijna elke week wat, en dat is nu eenmaal de Zwitserse democratie. Maar, de vrouwen stemmen nog steeds niet mee! Herhaaldelijk wordt het actief kiesrecht voor hen verworpen, ook door vele vrouwen zelf, en die Zwitserse democratie lijkt ons daarom toch een beetje kreupel. Maar goed, die inzendster in dat Zwitserse dagblad schrijft dan dat vele Zwitserse vrouwen wild zijn op hun emancipatie. Maar, hoe ver moet of mag nu die gelijkgerechtigdheid gaan zonder dat de vrouw daarbij schade lijdt? En, zo vraagt zij, „waarom blijven wij het ons maar laten aanleunen, dat we het zwakke geslacht zijn?” En dan komen er enkele cijfers en getallen om dat te bewijzen.

In 1952 en volgens officiële statistieken van de ziekenfondsen; 517.000 zieke man-

(Zie verder pag. 6)

De vrouw en de epigoon

Eens ving een dichter aan in ’t woeste en lege in mij te zingen en zijn zuivre stem,

zijn levend lied bezielden ’t moede en vege . .. ik dronk het stromend lied, ik zong uit hem

en volgde hem tot aan zijn verste stranden.

En toen ik keren moest, landinwaarts ging, was ’k een verrukte echo langs de wanden in ’t donker rotsland van de sterveling.

En tot de daden van de mens bedwongen, ben ik steeds dieper dalen ingekeerd;

’k heb me in al zwakker echo's uitgezongen, toen ik een vrouw behoorde en heb gedeerd.

Wat van ’t oorspronklijk lied nog was gebleven, in ’t donker nazong tussen haar en mij, heb ik op witte bladen neer ge schreven . . .

ik schonk ze, om mij te redden, en ze zei: „Dit ben je niet” En toen nam zij de bladen en wierp ze op de wind de ruimte in.

Sinds loop ik vruchteloos naar ’t eigen lied te raden; ik denk: wellicht bij ’t sterven vind ik een begin.

JOHAN TOOT