is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 30, 30-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PENSIOENGERECHTIGDE LEEFTIJD

Nu over ruim een jaar de definitieve ouderdomsvoorziening zal ingaan, waardoor voor heel veel bejaarden de ergste onzekerheid van het bestaan zal zijn weggenomen, is het goed eens stil te staan bij enkele problemen rondom het pensioen en de leeftijd, waarop dit ingaat.

Het is reeds jaren regel, dat 65 jaar de grens aangeeft tussen werken en niet-werken. Deze grens is natuurlijk willekeurig. Men heeft een rond getal gekozen. In de tijd, dat dit gebeurde, waren het maar enkelen, die deze leeftijd haalden. Vandaar dat de pensioenpremies ook betrekkelijk laag gehouden zijn. Pensioenpremies worden immers in een fonds bijeengevoegd en dienen als basis voor de uitkeringen. Hoe minder uitgekeerd behoeft te worden, zoveel te lager kunnen de premies zijn.

Gelukkig voor het Nederlandse volk is daarin een verandering getreden. De gemiddelde Nederlander haalt ruim de 70 jaar, zodat hij meer dan 5 jaar pensioen geniet. Dit betekent, dat de fondsen en dus ook de premies groter moeten worden. Dit brengt met zich, dat de mens beneden de 65 jaar een stuk van zijn inkomen ontbeert om het anderen mogelijk te maken pensioen te krijgen. Of daarbij de premie-gedachte dan wel het omslagstelsel de toon aangeeft, is betrekkelijk onbelangrijk. In beide gevallen offert de mens beneden de 65 jaar een deel van zijn reële inkomen. En een offer wil men slechts brengen, als men het doel zinvol acht.

Is het nu voor de doorsnee-Nederlander zinvol, dat hij offert voor iemand, die 65 jaar is geweest? Momenteel kan gezegd worden, dat dit gelukkig nog zo is. Het zijn maar uitzonderingen, die mopperen tegen een pensioen voor mensen boven de 65 jaar. Maar zodra de gemiddelde leeftijd van de Nederlander nog hoger wordt, kan verwacht worden, dat men gaat mopperen. Vooral, wanneer men steeds meer zal gaan zien, dat gepensionneerden er nog altijd iets gaan bij verdienen. Dit komt nu al veel voor, door de overmaat aan werkgelegenheid, die Nederland thans gelukkig heeft. Het komt zoveel voor, omdat de gepensionneerde zich nog capabel acht om te werken, geen zin heeft om niets te doen en bovenal omdat hij het pensioen te laag acht.

Zodra een belangrijk percentage van gepensionneerden gaat werken om er wat bij te verdienen, zal het verzet bij de premiebetalers groter worden. Dit moet men in alle nuchterheid onder ogen durven zien, omdat men slechts van daaruit iets kan doen aan dit probleem.

Nu kan men daarbij verschillende kanten uit. Als eerste zou ik willen noemen de verandering in mentaliteit bij de „jongeren” ten aanzien van de „bejaarden”. Onze cultuur kent helaas niet zoals de Joodse en Chinese de waardering voor de ouden van dagen. In onze Nederlandse samenleving worden oude mensen helaas maar al te veel als „lastposten” gezien. Het wordt tijd, dat wij onze bejaarden leren waarderen als

mensen, die op grond van hun rijke levenservaring van grote dienst kunnen zijn., Maar dat niet alleen: wij dienen te beseffen, dat een leven van zorg en kommer heus wel mag besloten worden met iets van vreugde en blijdschap. Laat ons bovendien niet vergeten, dat heel veel bejaarden toch al gebukt gaan onder een grote mate van vereenzaming. Hun kennissen en vrienden sterven, hun kinderen zijn het huis uit en leiden een eigen leven. Het pensioen maakt dit alles niet goed, maar het kan ten minste iets betekenen.

Toch wil ik ook wel op een andere mogelijkheid wijzen. Het is te verdedigen, dat de pensioengerechtigde leeftijd ingaat op bijv. 70 jaar. En dat niet in de eerste plaats om de premies lager te maken, maar wel omdat voor velen van 65 jaar de overgang naar het pensioen heel zwaar is. Zwaar, omdat men in inkomen sterk achteruitgaat. Zwaar ook, omdat men zich zelf oud gaat voelen zonder het reeds te zijn. Men voelt zich afgeschreven, opzij geschoven, waardeloos verklaard. En men kan zulks niet aanvaarden, omdat men zich nog volkomen fit gevoelt. Voor velen, die de 65-jarige leeftijd naderen, is het reeds jaren daarvoor een obsessie te denken aan het moment, waarop men niet langer mag werken. Men voelt het als een oneerlijke inmenging in de eigen zaken.

Zeker, er is ook een andere kant aan deze zaak. Er zijn ook mensen, die elk jaar aftellen, dat zij nog werken moeten. Toch heb ik de indruk, dat veel meer mensen de 65 jaar als een probleem dan als een oplossing zien. Er is echter nog een andere kant, nl. het feit, dat veel jongeren nu al zitten aan te kijken tegen de oudere collega, die hun promotiekansen in de weg staat. Verlengt men dit nog met 5 jaar, dan maakt men het voor de jongeren weer moeilijken

In sommige Nederlandse ondernemingen heeft men een oplossing gevonden, die ik uitermate geslaagd acht, zowel uit het oogpunt van de bejaarden als voor de jongeren. Als iemand 65 jaar is, heeft hij recht op pensioen. Hij mag echter ook nog blijven werken met dien verstande, dat hij gedü*- rende twee maanden extra-vacantie krijgt in het eerste jaar, gedurende vier maanden in het tweede jaar en zo door tot zijn 70e jaar. Tijdens de vacantiemaanden ontvangt hij niet zijn loon, maar zijn pensioen. Op deze wijze vindt de overgang geleidelijk plaats, niet alleen wat werken betreft, maar ook wat de inkomsten aangaat.

Soms hoort men wel eens als bezwaar tegen het langer laten werken van bejaarden aanvoeren, dat men daardoor werkloosheid zou laten ontstaan. Dit gaat alleen maar op, indien er een toestand van gebrek aan werkgelegenheid zou ontstaan. Een veel beter middel is dan echter het niet zo snel aan het werk laten gaan van de jonge mensen. Momenteel kan een jongen van 14 jaar reeds de fabriek in. Wij moeten ernaar streven, dat dit 18 jaar wordt. Het zo vaak gesmade Amerika kent in vele staten reeds de leerplicht tot 18 jaar. Wij staan wat dit betreft niet meer vooraan. Zodra 4 jaargangen in de jeugdige leeftijdsklassen afvallen, betekent dit, dat er een groot gebrek aan arbeidskrachten zal ontstaan. Het zou niet zo gek zijn, indien dit ten dele zou worden opgevangen door hen, die bereid zijn na hun 65e jaar te werken.

Dit artikel heeft overigens geen oplossingen willen geven, maar een aantal problemen willen stellen. Het is goed om gezamenlijk te denken, ten einde oplossingen te vinden, die ons volk als geheel bevredigen, maar die bovenal onze bejaarden gelukkig maken.

DRS. J. G. VAN DER PLOEG Rotterdam.

(Vervolg van pag. 1) mogelijk zou zijn. Maar het lijkt me niet meer voor tegenspraak vatbaar, dat wij mogelijkheden hebben tot rijker ervaring, tot groter ontplooiing. Een eenvoudige, in hoofdzaak agrarische economie, een autoritair staatsbestuur, een vast standenstelsel beperkte de mens van vroeger in zijn vrije groei. De keuze uit een veelheid der beroepen, het gemak zich te verplaatsen, de algemene toegang tot het onderwijs, de beweeglijkheid der maatschappelijke kaders, ons democratisch regeerstelsel, dit alles geeft aan de mens van vandaag mogelijkheden zich te verwerkelijken als nooit tevoren.

Men behoeft mij niet te vertellen, dat er niet zoveel van terechtkomt en niet alleen, omdat we pas aan het begin staan en nog veel leren moeten. Belangrijker is, dat we steeds over kansen moeten spreken. Er

komt geen moeten aan te pas. De oude tijd dwong de mens door zijn enge voorschriften, waaraan niet te ontkomen viel, tot een anonieme maar veilige, tot een kleurloze maar ongevaarlijke levensstijl. Wij staan in de vrijheid. We kunnen ons verwerkelijken. Doen we het ook? We kunnen duizendmaal zeggen én waar maken, dat de tijd van ons eist, dat wij rijke, vol-ontwikkelde persoonlijkheden zijn, dat talloze anderen voor ons, dat wij voor talloze anderen verantwoordelijk zijn. De vraag is slechts, of we ernaar leven. Maar geen vraag is het, of we recht hebben overmatig op onze tijd af te geven. Deze beschavingsperiode geeft de mens kansen en als hij ze verknoeit, zal hij zelf en zijn medemensen er de dupe van zijn, niet omdat de tijden slecht waren, maar omdat hij de tijden niet verstond en hun uitdaging niet aanvaardde. J. G. B.