is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 33, 27-08-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fra Angelico

De schilder van het geloof

In 1455, vijfhonderd jaar geleden, is de Italiaanse schilder-monnik Fra Giovanni da Fiesole, beter bekend als Fra Angelico, de Engelgelijke, zoals een nageslacht hem heeft genoemd, in Rome gestorven.

Geboren in 1387, leefde hij in de begintijd van de Renaissance, toen de mens vol verwondering begon te beseffen, hoe schoon deze aarde is, de glorierijke tijd van grote uitvindingen en ontdekkingen, waarin de mens al te vermetel dacht, alles te vermogen uit eigen kracht en het gezag van de kerk werd doorbroken.

Fra Angelico had in de Santa Carmine in Florence bewonderd, hoe Masaccio in zijn fresco’s voor het eerst dieptewerking op een plat vlak had weten te suggereren, zodat zijn mensen ook werkelijk in de ruimte stonden. De minutieus geschilderde perspectivische proefnemingen van Paolo Ucello en de anatomisch juiste proporties van Castagno’s strenge figuren, had hij' aandachtig bekeken. Voor alle nieuwe stromingen stond hij open en toch, in zijn geest was hij de vrome middeleeuwer gebleven, die zoals Vasari, de zestiende-eeuwse schilder-kunsthistoricus, vertelt, nooit zijn penseel opnam, zonder eerst gebeden te hebben en nooit een Kruisiging schilderde, of de tranen liepen hem over de wangen. Het is onmogelijk, zegt Vasari, dat zoveel engelreine puurheid, niet is voortgekomen uit een engelrein gemoed.

\[De boodschap van de engel. Boven de trap, fresco

Fra Angelico dacht er nimmer aan te behagen, of te werken voor eigen roem. Hij was zich er waarschijnlijk niet van bewust, dat zijn penseel een prediking was, overtuigender zelfs, dan de vurige woorden van menig boeteprediker. Zijn kunst is een apostolaat zonder woorden. Hi| transponeert in eenvoudige stijl in kleuren de eenvoudige woorden van het Evangelie, beide spreken zij tot het hart. De glorie van God bezingt hij in gouden gloed: Christus verheerlijkt hij omstraald door een onaards licht.

Twijfel was er niet in zijn hart en de

serene rust, die hij zelf had gevonden, weerspiegelt zich in zijn werk.

Als hij hellesmarten moet uitbeelden, zoals in het Laatste Oordeel, schiet hij te kort. De verschrikkingen van zijn Dies Irae doen ons slechts glimlachen. Maar hoe weet hij het hemelse leven op hetzelfde paneel weer te geven! Daar begroeten in tedere omhelzing bevallige engelen de zalige monniken en leiden hen in bonte rei ten dans in een veld van bloemen, zo schoon, als er op aarde niet bloeien.

In het klooster San Marco in Florence, waar Fra Angelico het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht, schilderde hij op de lunetten van de kloostergang, in de kapittelzaal en in de cellen van de broeders zijn fresco’s. Zij zijn stiller en ingetogener van kleur dan de panelen, die moesten glanzen van goud, bestemd als zij waren voor de donkere Toscaanse kerken.

„Stilte” maant, één vinger op de mond, de Heilige Pieter de Martelaar met zijn bebloede kop, als wij de kloosterhof betreden. Maar vanzelf zijn wij gegrepen en

stil, omdat het er zo geluidloos en rustig is in dit gewijde oord, uit een ver verleden, waar het oorverdovend rumoer van auto’s en scooters, die de straten van Florence zo onveilig maken, niet doordringt.

Christus als pelgrim, heeft Angelico in ontroerende eenvoud boven de deur van het hospice, nu museumzaal geschilderd. Als arme pelgrim komt Christus onderdak vragen. Liefdevol leiden twee broeders hem naar binnen, maar ziet, in plaats van de arme, moede pelgrim, staat Christus voor hen, in schone jonge gestalte.

In de kapittelzaal heeft Fra Angelico een grote Kruisiging geschilderd. Geen diepe smart, noch een schreeuwende aanklacht gaat er van dit fresco uit. Het is, alsof Angelico met zijn tijdgenoot Thomas a Kempis heeft willen getuigen, dat er geen weg tot het leven en tot ware innerlijke vrede voert, dan de weg van het heilige Kruis, van het dagelijks sterven. Verworven vrede spreekt er ook uit zijn klare schildering.

Op de bovenverdieping liggen de kleine slaapcellen van de broeders. Tegenover de trap in de gang, zodat de monniken het iedere dag voor ogen hadden en er hun groet konden brengen, heeft Fra Angelico een Verkondiging geschilderd.

St. Pieter, de martelaar: stilte, fresco

Maria op een houten schemel gezeten in een fraaie Renaissance-hof, hoe onbeholpen schilderde Giotto nog zijn gebouwen en hoe is Fra Angelico erin geslaagd perspectief erin te brengen, beluistert in deemoedige houding de woorden van de neergedaalde engel. De tuin is ommuurd door een hek, een herinnering aan de „hortus conclusis”, het middeleeuwse symbool van de'maagd.

Eenvoudiger is de Verkondiging in één der cellen, waar de liefelijkste aller ooit geschilderde engelen, met zulk een menselijk milde uitdrukking op het gelaat, voor de geknielde Maria staat, terwijl terzijde de Heilige Pieter de Martelaar in stille aanbidding is verzonken.

Van een blanke schoonheid is de Kroning van Maria, een lievelingsthema van Angélico, waarop Christus met zulk een teder gebaar zijn neigende Moeder de kroon reikt. Op de wolken knielen zes heiligen en omsluiten in hechte eenheid het visioen.

(Vervolg op pag. 6)