is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 33, 27-08-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PYRAMIDE

Hij was een toegewijd lid. Trouw, productief, oude garde, maar nog steeds het oog op de toekomst gericht. En dit zei hij: „Heb j e gezien dat ze er gisteren allemaal waren, en verleden week bijna niemand?”

De bedoeling was een lichte teleurstelling uit te spreken. „Gisteren”, was er nl. nieuwjaarsreceptie bij de burgemeester, met alle aspecten die men over al te menselijke eigenschappen al te menselijk mediterende kan belichten en klein vinden. En „verleden week” was er een min of meer massale vergadering, een jaarwisselingsbijeenkomst van de Partij afdelingen. Een bijeenkomst die beter bezocht had kunnen worden.

De uitzegger van de teleurstelling gaf de indruk van zeer vele bezoekers weer. „Het Volk” wat klinkt dit naar is niet gemakkelijk als ’t iets in de gaten meent te hebben, en het heeft duizend ogen.

Het zich distanciëren van deze reactie is alleen maar verantwoord indien dat op verantwoorde wijze geschiedt. Want het schijnt my nog steeds een verstandige overweging rekening te houden met het uiterlijk, dat we hebben in de ogen van de anderen. „Behoedt u voor de schijn des kwaads” is een waardige herinnering, en een spiegel kan iets te zeggen hebben, ook indien niet als ijdelheidsinstrument gebruikt.

Beschikte de man, die zich uitsprak, dan over een weegschaal die ’t mogelijk maakte te vertellen wat zwaarder weegt: een receptie of een Partij vergadering? Derailleerde hij want zoals ’t nu volgt bedoelde hij het zonder ’t zo te zeggen toen die receptie bij hem associaties opriep van een Vanity Fair en de Partij vergadering die van een onbelangrijker familielid dat in sommige kringen alleen daarom reeds zal worden verwaarloosd?

Het op papier behandelen van dit probleem, dat in de uiting van de ongenoemde partijgenoot aarzelend gestalte krijgt, heeft te doen met de kwetsbaarheid van menselijke gevoelens niet steeds grote die verdienen ontzien te worden.

Te veel aanvallen worden reeds op onze vrije tijd gedaan. Te veel zeer belangrijke zaken roepen om onze bemoeiingen. We kunnen toch niet alles doen. Het komt in de afdelingen alle afdelingen bij tijd en wijle —voor, dat men verwacht van afd.- voorzitters, gemeenteraadsleden, wethouders, etc. dat zij aan colportagetochten meedoen. Het komt voor, dat men schijnt te verwachten dat allerlei pers-en partijfunctionarissen, die overal te ontmoeten zijn waar iets van belang te beleven is, en die daar in de meeste gevallen gehoord worden, ook nog volledig medewerkende afdelingsleden kunnen zijn.

De zeer vele notabele leden buiten het directe partijapparaat die min of meer in de toplaag van onze maatschappij wonen, zij doen reeds te veel; en te veel tegelijk ook nog heel erg goed. We mogen reeds bly zijn dat deze mannen en vrouwen lid van de Partij werden, niet?

Artsen, juristen, directeuren, hoogleraren en leraren, politieke figuren en hoge ambtenaren op belangrijke posten; predikanten, auteurs van naam, artisten, onze Partij is inderdaad rijk aan belangrijke vrouwen en mannen. Reeds hun lidmaatschap betekende in elk geval een getuigenis afleggende daad, een belangrijke daad, en zij versterken het vertrouwen in deze Partij.

En in elk geval betalen zij de hoogste contributie, dragen bij in de fondsen, lezen

onze belangrijke periodieken, althans zijn er op geabonneerd, en schrijven er soms in. Het zou inderdaad zeer dom zijn, van deze genoemden en de nog veel grotere groep ongenoemden te veel te verwachten voor het „straatwerk”, zoals sommige minder diep denkende maar toch zulke uitstekende afdelingsbouwers wel eens in niet steeds tactvolle woorden laten weten. Wie ergens in de top van de partij of maatschappelijke pyramide zijn geplaatst, hebben een wijder uitzicht, leven soms op „hoger plan” en hebben andere verantwoordelijkheden. Het is dunkt mij juist met nadruk vast te stellen dat het democratische socialisme door de wijze waarop deze topfiguren hun belangstelling gelimiteerd geven, zeer gediend wordt; dat zij dus evenals anderen die op lager niveau invloed uitoefenen, onze dank verdienen.

Maar toch... het behoort tot de typische met gevoel geladen eigenschappen van een familie dat deze eenheid beleven wil; dat er eens een gelijkenis werd geschreven waarin een gemeenschap werd vergeleken met een menselijk lichaam. Er zijn onbelangrijker organen, ja? En er zijn er ook die belangrijker zijn? Maar wie maakt dat uit? Er zijn leden van dat lichaam „ter ere en ter onere,” zegt de gelijkenis. Maar de eindconclusie is een zeer radicale vaststelling van de relatieve gelijkheid van allen. Want: „als één lid lijdt, dan lijden alle leden.” En in het Partij leven is er een afstand tussen top en voet het beeld van de pyramide vasthoudende welke spanning brengt; laten we het met emoties geladen woord leed hier vermijden.

Zeker is, dat zij die in de basis van de pyramide wonen en werken een gevoel van verlaten zijn soms niet van zich kunnen afzetten. Dat daarnaast een aantal leden wie kan het percentage vaststellen ? die in de top wonen met hun figuur letterlijk geen raad weten zodra zij zich bulten hun werkkamer in het volle leven van de Partij begeven, en zich daardoor te gemakkelijk isoleren in wat wel eens als een ivoren toren

wordt gediskwalificeerd. De eigenlijke oorzaak is veel eenvoudiger: een zeer menselijke vervreemding én een overwaardering van de eigen kostbare inderdaad tijd, die verspild zou kunnen worden.

Toch men behoeft niet eens een groot psycholoog te zijn om in te zien dat er hier moeilijkheden liggen, die we moeten oplossen, wil deze Dem. Soc. Partij nog beter als gemeenschap kunnen fungeren dan tot heden het geval bleek, tot schade van ons activeringsvermogen, onze werfkracht, misschien zie het ledenverloop beter: ons vermogen om te binden.

Met heel veel genoegen denk ik terug aan enkele bijeenkomsten waarbij iets meer leden uit de top waren betrokken. Forumavonden van verschillende aard. En hoe de veel rijkere discussie nu, door een gevarieerder publiek, allen het voldane gevoel gaf: het was goed samen geweest te zijn. Er is iets gebeurd!

Goed was het ook kaderbijeenkomsten en conferenties de te weinige leden uit de top en de basis samen te ontmoeten. Het doorgeven van levensrijkdom en inzicht had dan beslist niet het karakter van éénrichtingsverkeer! Ook in de maatschappelijke top is nog heel wat tekort aan kennis buiten het speciale vakgebied, en er worden ook hier te veel, uitsluitend emotioneel, stellingen betrokken. OOk daar draagt het losstaan van de gemeenschap haar loon in zich.

De bewustwording, de kennis binnen onze begrenzing, de stootkracht, het vermogen tot overtuigen, zij zullen groeien indien een iets intenser contact tussen top en basis van ons Partijapparaat, van onze Partijpyramide, een steviger geheel maakt.

Het behoort tot de niet voorschrijfbare plichten van ieder Partijlid, zich bij min of meer belangrijke gebeurtenissen in zijn onmiddellijke Partij omgeving te tonen en „erbij” te zijn. En liefst nog een paar keertjes per winter méér. Velen verlangen er naar op redelijke of op iets onredelijker schijnende gronden, tot het beleven van gemeenschap; om een strijdbaardere gemeenschap te worden. Het is een ervaringsfeit van hen, die intense contacten hebben.

E. M. BUTER

MAROKKO EN ALGIERS

De gebeurtenissen in Marokko en Algiers werpen een aantal beangstigende vragen op. Hoe is het mogelijk, dat de bevolking tot een dergelijk fanatisme is gekomen? Wat heeft de Fransen toch bezield door de ontwikkeling zo ver te laten komen? Wat zijn er op het ogenblik nog voor reële mogelijkheden om tot een normalere ontwikkeling terug te keren? Wat stellen de Fransen zich voor van de bestraffing der inheemse bevolking?

Beangstigend zijn deze vragen, omdat de antwoorden onthullend kunnen zijn. Marokko en ook Algiers zijn duidelijk rijp voor zelfbestuur. En meer dan dat. De bevolking, niet alleen uit de steden maar ook van het platteland, is kennelijk laaiend over de huidige toestand. Economisch en sociaal is deze voor hen dan ook bedroevend. Vergeleken met de levensomstandigheden der Europeanen zijn de tegenstellingen bijzonder schril.

Maar ook politiek woelt er veel. De straffe hand van de Franse militaire autoriteiten, die in de afgelopen jaren het ene opstandige dorp na het andere hebben

platgebrand, heeft veel kwaad bloed gezet en een normale politieke ontwikkeling verhinderd.

Men spreekt nu over de gruweldaden van de nationalisten. Talrijke Europeanen mannen, vrouwen, kinderen zijn op gruwelijke wijze af geslacht. Maar het recht om daarover verontwaardigd te zijn bestaat alleen, wanneer de verontwaardiging over vroegere en huidige slachtingen, die de Franse troepen op hun naam hebben staan, even beslist en even groot is. En daar hapert voorlopig veel aan.

„In het gebied van Algiers zijn,” zo zegt een legerbericht, „tien dorpen die de nationalisten onderdak hebben verschaft, platgebrand, nadat eerst de vrouwen en kinderen naar veiliger oorden zijn gebracht.” Zo’n bericht is van een onthullende schijnheiligheid. Het klinkt zo rechtvaardig en braaf. De dorpelingen moesten gestraft worden. Daarom zijn de huizen platgebrand. Vrouwen en kinderen zijn onschuldig. Daarom zijn zij geëvacueerd. Maar onder de dekmantel van deze braafheid gaat het feit schuil, dat de Fransen tot col-