is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 34, 03-09-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke richting? Wij moeten steunen, maar wat hebben de mensen van Kerk en Vrede ienz. anders gedaan dan hun „zedeiijke en politieke verontrusting om te zetten in politieke arbeid”? Stonden zij niet vooraan in de strijd tegen de oorlog met Indonesië, hebben ze nu weer geen actieve rol vervuld bij de oprichting van het Sociaal Democratisch Centrum in de PvdA? Waren zij niet mee de gangmakers van de Nederlandse Vredesbeweging De Derde Weg? •

Niet aan „de politieke leiders”, niet aan die politiek die (zo niet eerder) dan toch vanaf 6 Augustus 1945 verouderd was nl. die van de overmachtstheorie, de bewapeningswedloop en militaire blokvorming etc. moeten wij onze steun geven, maar wij moeten „een positieve en critische steun geven aan die politiek die aan het nieuwe tijdperk gestalte tracht te geven.”

J. W. E. RIEMENS

Amsterdam, 6 Augustus 1955.

W.B. antwoordt:

De schrijver van bovenstaand stuk is zó zelfverzekerd van het gelijk dat hij altijd gehad heeft en ook nu weer heeft, begrijpt zó weinig van de innerlijke motieven van anderen, dat het mij moeilijk valt hem te beantwoorden. Maar de redactie wenst een onderschrift en ik ben als steeds haar dw.dr.

1. „Wij hebben weer een Willem de Zwijger in ons midden.” Ach ja ik kan natuurlijk zeggen: liever een zwijger dan een praatjesmaker. Maar de dingen liggen dieper, en ik wil ze ook wel uitspreken, wetend dat duizenden ze doorleefden als ik. In de situatie na 1945 hebben wij, die het godsdienstig getuigenis van Kerk en "Vrede ernstig namen, maar niet konden ontkennen, dat wij de bevrijding van het nationaalsocialisme aan de geallieerde wapenen hadden te danken, geen andere politieke mogelijkheid gezien dan die van de PvdA zij het dat wij lang niet alle uitingen van alle woordvoerders onderschreven, en tegen de militaire acties in het vroegere Ned. Indië ernstig bezwaar hadden. „Speciaal de jongeren die zich door Banning sterk be'invloed weten” moeten begrijpen, dat hij gewoon is zijn bezwaren tegen daden van de partij te brengen, waar zij behoren, en dat hij zwijgt, wanneer hij geen concrete betere oplossing weet.

2. De heer Riemens meent, dat de wending in de internationale politiek, die ik nog steeds vooronderstellenderwijze aannam, reeds sinds 12 Augustus 1953 waarneembaar is, nl. toen de Sowjet-Unie een H-bom tot ontploffing bracht. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik in inzicht en doorzicht mij verre de mindere moet gevoelen van de heer R. ik heb nl. twee jaar lang niet gemerkt, dat door die ontploffing een ontspanning in de internationale politiek was ingetreden.

3. De heer Riemens vergist zich, wanneer hij meent dat „Kerk en Vrede” de zedelijke verontrusting heeft omgezet in politieke arbeid. Kerk en Vrede heeft dit nooit gedaan en nooit gewild; zie de Beginselverklaring. „De derde weg” heeft gemeend, het wél te doen het spijt mij te moeten zeggen, dat ik tot op heden deze derde weg niet kan zien als reële politieke mogelijkheid.

4. De heer Riemens vraagt: waar waart gij, toen de verklaring van prof. Rasker c.s. de wereld inging? Antwoord: Thuis. Er zijn vragen, waarop ik geen antwoord geef; er zijn oproepen, die ik niet onderteken, zelfs al hebben zij mijn gedeeltelijke instemming. W. B.

DE DUITSE SAAR

Toen de oorlog uitbrak, was ik nog op school. Vandaar, dat mijn herinneringen aan de bange jaren tussen ’3O en ’4O beperkt zijn. Eigenlijk zijn maar een paar gebeurtenissen in mijn geheugen blijven haken, gebeurtenissen die vooral door hun gevoelswaarde indruk op mij hebben gemaakt.

Wat ik mij nog heel levendig herinner, dat is de avond toen mijn vader mij kwam wekken om te zeggen, dat Neville Chamberlain de vrede had weten te redden. Een ander voorval, dat mij is bij gebleven, is het gedrag van mijn moeder, toen de oorlog uitbrak. Zij begon plotseling te huilen. Ik was daar verwonderd over, want ik had mijn moeder nog nooit eerder zien huilen.

"Ver weg in mijn geheugen ligt ook nog iets over de volksstemming in het Saargebied. Ik was toen, in 1935, tien jaar. Wat ik ervan weet is dus niet meer dan een indruk: de spanning bij mijn ouders over de uitslag, het tumult en de terreur, zoals die uit de plaatjes in de kranten waren af te leiden, de verbittering bij ons thuis toen kwam vast te staan, dat Hitler een zo enorm succes had geboekt.

Deze herinnering dringt zich steeds weer bij mij op, als ik over de huidige verkiezingsactie in het Saargebied lees. Zij werpt de vraag op, of hetgeen er nu staat te gebeuren, inderdaad enige gelijkenis vertoont met 1935. Zal de volksstemming van 23 October a.s. weer ontaarden in een nationalistische actie?

Om deze vragen te beantwoorden, moeten wij eerst onze indruk uit 1935 corrigeren. Want al is er toen ook een weinig frisse en geduchte strijd gevoerd, de uitslag leert ons, dat ook zonder hetze van de nazi’s de Saar Duits wilde zijn. Er werden immers 477.000 stemmen voor wederaansluiting bij Duitsland uitgebracht tegen 48.000 tegen. Zo’n uitslag is niet enkel het gevolg van agitatie en intimidatie.

De Saar is Duits dat is aan geen twijfel onderhevig. Dat was zo in 1935, dat is ook zo in 1955. Maar als dat zo is, hoe is dan mogelijk, dat die Saarkwestie blijft voortbestaan? De oorzaak ligt op economisch terrein. Dit grensland tussen de Duitse en Franse gebieden produceert nl. de steenkool, waarmee het ijzererts uit het aangrenzende Franse Lotharingen in staal moet worden omgezet. De Saar en Lotharingen te zamen vormen een economisch geheel. De Franse industriële macht is tegen de Duitse opgewassen als de Saarkolen ter Franse beschikking staan.

Het is allemaal nogal ingewikkeld. Dat komt omdat de Fransen van alles ondernemen om de Saar als economisch partner te behouden, en de Duitsers elk ogenblik bereid zijn hun nationalisme uit te buiten ten einde de Fransen de voet dwars te zetten.

De Saar is Duits zelfs geen Fransman twijfelt eraan. Maar de Duitse Saarlanders waren wat blij in 1945, dat zij via een Franse bezetting en een halve autonomie aan de catastrofe van de Duitse nederlaag konden ontkomen. Als zij geweten hadden hoe snel Duitsland zich zou herstellen, wel, misschien zouden zij zich minder happig hebben getoond op de samenwerking met Frankrijk. Maar zij dachten aan de jaren na 1918...

Langzamerhand is de kentering gekomen. Saarlands premier, „der Dicke” Hoffmann, die in het begin als de redder des vaderlands werd beschouwd, maakt nu een zware tijd door. Op 23 October zal het refe- ‘ rendum gehouden worden over het Saar-

landse statuut. D.w.z. dat op die dag de bevolking zich zal uitspreken over de tussen Mendès-France en Adenauer overeengekomen regeling inzake het Saarland; een regeling die tussen Frankrijk en Duitsland is aanvaard, maar waarover nog menig meningsverschil bestaat.

Het zwakke in het beleid van Hoffmann en de Fransen is geweest» dat zij nu pas de Duits-gezinde partijen hebben toegelaten. Daardoor kunnen de katholieke, socialistische en nazistische voorstanders voor wederaansluiting bij Duitsland zich tooien met het aureool der verdrukten. Hetgeen zij dan ook op grof Duitse wijze doen. Het ziet ernaar uit, dat de pro-Duitse beweging snel veld wint. Waarom ook niet? De Saarlanders kunnen zich weer hun nationalisme veroorloven. Zij zijn er met Franse hulp weer'aardig bovenop gekomen, en zij verwachten op ’t ogenblik weer meer van het welvarende Duitsland dan van het nog steeds ziekelijke Frankrijk. Daarom dus maar: Duits is de Saar. .

Staat de uitslag al vast? Neen, er kan nog veel gebeuren. Maar gezien de vroegere ervaringen zijn er niet veel redenen om in wonderen te geloven. De stemming is wezenlijk anders dan in 1935. Er is nog een geduchte groep voorstanders van het Statuut. En misschien is vooral tekenend, dat de oudste en grootste krant van Saarland, de „Saarbrücker Zeitung” Hoffmann steunt. Maar de wederaansluiters behoeven ook niet het succes van 1935 te hebben om toch resultaat te boeken.

Saarland is zo groot als een Nederlandse provincie. Er wonen tegen het millioen mensen. Een klein landje dus, maar zeker als het Statuut wordt verworpen een gevaarlijke bron van onrust in Europa. In dat Saarland wordt nog veel met „Europa” geschermd. Dat is de troef van de voorstanders van het Statuut. Zij zeggen, dat de voorgestelde regeling het begin is van de oplossing in Europees verband van de heersende problemen. Het antwoord van de tegenstanders is, dat het Statuut weinig met Europa te maken heeft, en eigenlijk alleen maar de prijs is voor de medewerking van Frankrijk aan de Europese defensieinspanning. Beide partijen zeggen iets van de waarheid. Want hoe Europees men in Parijs en Bonn ook heeft gedacht, ieder dezer partijen is op eiggn voordeel ultgeweest. De Westduitse souvereiniteit was afhankelijk van de aanvaarding der Parijse accoorden (waar ook het Saarstatuut toe behoort). Om die erdoor te krijgen zou Frankrijk in de Saar moeten blijven. Zo is het afgesproken, zegt Mendès-France. Neen, zegt Adenauer, het is de bedoeiing, dat op den duur Frankrijk én Duitsland van de Saar zullen profiteren in Europees verband.

Het gevolg is, dat niemand precies weet, waar de Saar aan toe is bij aanvaarding van het Statuut. Een tweede moeilijkheid is, dat ook niemand weet, wat er gebeuren zal als de Saarlanders het Statuut afwijzen. Terugkeer naar Duitsland, suggereert men te Bonn. Dan blijft de toestand zoals hij was, is het Parijse commentaar.

Hoe het referendum dus ook zal aflopen, er zullen moeilijkheden te over blijven. Om nog maar niet te spreken van het feit, dat ook het Saarstatuut een tijdelijke regeling is. Het vredesverdrag met Duitsland moet de definitieve regeling brengen.

H. VAN VEEN