is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 36, 17-09-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meditatie over een gemeenschap

Wanneer zijn mensen écht oud? En is een kaderweek op de Paasheuvel écht een doorsnee van de Partij ? Er is een strak verband tussen deze vragen. En ze brengen beroering ergens daarbinnen als we letten op de contrasten tussen wat de algemene ervaring is én die, opgedaan op de heuvel en tussen het groen.

Een echte gekke groep, waarvan niets te verwachten was. Leeftijd zo van 20 tot 58. Dat geeft brokken zeggen de wijzen, die van ’t samen gaan van jong en oud ervaring hebben. Er waren partijgenoten uit allerlei vormen „provincie” en „grote stad”. Dat geeft brokken, zeggen de problemenbevechters ergens in lange bestuursvergaderingen. Er waren ook „gewone leden”, én leden van het Partijbestuur, Gewestelijke secretarissen, leden van gemeenteraden en staten. Dus: bonzen, om de super-superlatieven van de kamptaal te gebruiken. Dat geeft, etc. etc. Bovendien was de gehele doorbraak, zij ’t dan wat onharmonisch, aanwezig, waaronder mensen, die moeilijk konden verbergen dat ze er een beetje de damp over in hadden gehouden. Dat geeft...!

Zo’n verhaal hang je niet op als die wijze hoofden, die in deze extreme vorm alleen maar in mijn nu nog wat overspannen verbeelding bestaan, echt gelijk hebben. Want u wist het reeds: ’t was ganselijk anders. Na wat doorelkaar geschud te zijn, zo reeds de tweede dag zichtbaar, viel veel waardigheid weg en kwam menselijkheid voor de dag, menselijkheid die binding werd, waardoor alle wijsheid ongelijk kreeg. En waardoor nu eigenlijk?

Dat een Partijbestuurder, die volledig op de hoogte is met dat héle moeilijke apparaat, en dat laat voelen, ook als een DSjuke box kan fungeren, waar vier maal per dag alle gewenste liederen uitpuilen, is te verwachten. Deze mensen zijn getraind in alle goede werken, of wat daarvoor door gaat. Maar dat hij verwacht dat ’t ergens toe helpt, dat de groep het doodeenvoudig prettig vindt, is een wonder, als we denken aan de vele afdelingen (de vrouwengroepen zijn hier de gewillige, dienende uitzonderingen) waar zingen even zondig schijnt als luid praten in het gezelschap. En als uitwendigheid hielp het zeker de binding versterken. Zo deden ’t ook de vele kleine samendoensels als corvée, tweehoogbedden, lachen-om-lezen, wandelen. Dat wat elk „kamp” geeft, en dat bewerkt dat zélfs de strakste burger z’n jasje uit moet doen, z’n dure naam wat toegangkelijker maakt. Maar toch: dat kan niet alles zijn. Ook in een enthousiaste volksoploop zijn er vele lijfelijke contacten en lustige levendigheid, zonder dat er nu bepaald veel bouwends van komt.

En daarmee zijn we m.i. tot de kern genaderd. Want wat soms spel leek, was toch verborgen worstelen om te komen tot groter geschiktheid voor dat lastige mensenwerk, dat het bouwen van een Partij is, zonder de middelen van discipline en dwang, die een „baantje” ter beschikking van een leider stelt. Het lastige werk om idealisme, een bijna verboden woord!, plus van vrijwilligers de vrije tijd zo toe te passen, dat er een apparaat ter beschikking staat dat als vredesleger een vredesstrijd kan strijden, voor een iets dat ergens in de toekomst gezien werd.

Want ergens is er in ons organisatiewerk nog steeds een tikje zelfbedrog, een beetje

amateurisme, wat overgelovigheid, als we bedenken, dat je voor het kleinste baantje toch al een speciale schoolopleiding moet hebben, en als ’t maar een ietsje gewichtiger wordt, dan vraagt men naar papiertjes, ervaring, getuigschriften, al is het een soms te betreuren feit dat in deze tijd van werkkrachtentekort met de eisen wel eens de hand wordt gelicht.

Als het echter om de vormgeving aan onze politieke overtuiging gaat, het leiden van de afdelingen van ons politieke leger, dat de juiste gedachten in weinigwillende mensen moet zaaien, dat de juiste mensen op de juiste plaats moet stuwen, ja, dan moet alles te vaak vanzelf gaan. Dan is vrijwilligheid en goede wil alles waar we over beschikken en de rest zal dan wel vanzelf komen!

De narigheden of het uitblijven van groei bewijzen dan daarna, dat „vanzelf” toch maar héél weinig tot stand komt. Zodat het bestuderen van het Partijprogram, de Brede Kolom in HVV, het aandacht geven aan De secretaris. Voorzitter, geen loszinnige tijdverspilling wilde zijn, evenmin als het begrijpen van de techniek van vergaderen, de bouw van de Partij, de vele bijkomende verfraaiingen in ons werk, waarbij de verzamelde ervaring wonderen deed.

Is niet een Afdeling een grote familie en heeft ze dus verlangens en behoeften, die daarmee in verband staan? Kleine hartelijkheden als bloemen aan zieken, vriendelijkheden .als iemand verjaart, gezelligheid van het (vergader)huis, ernst naast onderhoudende dingen als zang, lezen, lachen, afwisseling. Zijn al die tegemoetkomingen aan „kleine”(?) menselijkheid dan niet als te weinig ernstig en vastberaden, verwerpelijke tijdvermorsing? Het antwoord is, dat wie mensen wenst te ontmoeten en geen contribuerende nummers, ook een door de doorsneemens gewaardeerde sfeer moet scheppen, en dat niet elke goedme-

nende Nurks-in-’t-klein de rechte vruchtbare samenwerking brengt. Die dorheid, die een uitnodiging van vijf zakelijke regels op papier brengt en dan nog durft verwachten dat de mensen daarop zullen komen aanrennen, is wel uit de tijd. Wie een Afdeling leidt, wete dat ze voor ’t grootste deel uit de gemiddelde mens be! staat, waarvoor de amusementsindustrie en s de zakenwereld een heel stuk bestudeerde ; beïnvloedingstechniek over hebben.

En zullen we elkaar bij de naam noemen? Zullen we „jij-en”? Ach, wat zou het er toe doen? Maar in mijn afdeling is schoorvoetend in het bestuur het officiële jij-besluit genomen. Wat zijn jullie achterlijk! zei me iemand van ergens anders. Maar wat was het een overwinning en een stap in de goede richting, omdat het niet geforceerd was, is de andere ervaring,

is dat kameraadje spelen in een partij dan echt zo belangrijk? Men vertelt mij vaak, dat het in die „goede oude tijd” zoveel intiemer en gemeenschappelijker was. En zij staren verlangend terug. Ook een tijd in de jeugdbeweging, die nimmer uitgewist kan worden en die doorleeft in allerlei geschiktheden en bekwaamheden. De mens is een gemeenschapswezen, en verarmt als daartoe de voorwaarden ontbreken. Hij is tegelijk van nature een maskerdrager, die zich niet graag blootgeeft. Die graag leeft in het centrum van zijn witte tovercirkel die niemand overschrijden mag. Daarom is het gebod van kameraadschap een verwachten, van heil op commando. Daarom is het uitblijven van kameraadschap een armetierige tekortheidsziekte.

Dat alles en nog meer leerde en gaf een week samenzijn van zeer volwassen en zeer wetende mensen. Nog te weinig wordt de zegenrijke invloed van zulke weken beseft, te veel miskend worden ze zeker. Want er is overal een afstand te overbruggen, die niet onder woorden gebracht wordt, maar die als niet menselijk wordt ervaren.

„Maar moest jij daar nu heen?” vroeg mij een ander nogal vergevorderd partijfunctionaris, die vond dat ik ’t eigenlijk niet meer nodig had. Waarmee hij blijk gaf ’t niet begrepen te hebben. En dus zelf maar eens moet gaan. E. M. BUTER

Adenauer in Moskou

Conferentie te Moskou. Duitsers en Russen te zamen, en heel de wereld kijkt toe hoe het zal gaan. Een merkwaardige ontmoeting, in vele opzichten.

In het begin der jaren veertig rolde de Duitse oorlogswals over de Russische landen. Nog is Rusland de wonden die toen geslagen zijn, niet te boven. Nog steeds wordt er hersteld, herbouwd.

Enige jaren later. De Russische oorlogsmachine duwt de Duitsers terug. Eerst langzaam, dan met steeds fellere stoten. Weer gaat de ellende over de Russische dorpen. Nu zijn het de Duitsers, die de tactiek van de verschroeide aarde toepassen.

De Russische legers dringen verder op, door Roemenië, Polen, Hongarije. In 1945 is dan de beurt gekomen voor de Oostduitse gebieden. Zes millioen vluchtelingen zoeken een heenkomen. Angst voor de Russen, op grond van verhalen en ervaringen van anderen, op grond ook van het slechte geweten. De oorlog gaat over Oost-Duitsland en voegt daar weer puin toe aan wat de luchtbombardementen reeds veroorzaakten.

Wij kunnen dit alles niet gaan wegen en meten. Dat heeft weinig zin en leidt tot geen enkel resultaat. Bovendien, de mensen groeien eerder over al het leed en alle verbittering heen dan de ruïnes van dorpen en steden zouden doen geloven. Wij hebben ons dodelijk ongerust gemaakt over de vijandigheid die er sinds 1945 in de wereld is ontstaan. En nu doet zich het wonder voor, dat de Russen zich een grootse en hartelijke ontvangst willen en kunnen ver-, oorloven van de vertegenwoordigers van het na-oorlogse Duitsland.

Dit is een menselijk wonder, dat de achtergrond én de voedingsbodem vormt voor de toenadering, die zich enigszins begint af te tekenen. Waarom begonnen met een wonder, en waarom niet in de eerste plaats aandacht gegeven aan de nuchtere politieke feiten en het keiharde politieke spel dat in Moskou heeft plaatsgehad? De reden is voor de hand liggend. Want dat spel is, evenals die feiten, nog hoogst ontmoedigend. Alleen het verschijnsel, dat het spel gespeeld kan worden, is werkelijk waarde-