is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 36, 17-09-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vol. De ontwikkeling der internationale relaties laat zich nl. niet door feiten alleen markeren. Voor wat de grote lijn der mogelijkheden betreft, gaat het steeds om de grillige onderstroom van de ontwikkeling der individuen. Geen staatsman kan een oorlog voeren, als hij daarbij tegen die onderstroom moet oproeien. Geen staatsman kan tot werkelijke vrede komen, tenzij hij zich door die onderstroom geleid en gesteund weet.

Ik bedoel dit niet als een pleidooi om het lot maar te aanvaarden. Want even zeker als het is dat de politieke mogelijkheden op een bepaald moment door die onderstroom worden bepaald, zo zeker is ook, dat de politicus zijn invloed op die stroom kan uitoefenen. En dat laatste komt op het ogenblik in het geding bij de beoordeling van de. Westduitse politiek in Moskou.

Adenauer is met weinig illusies naar Moskou gegaan. Dat klinkt iets tragischer dan het is. Want vaststond, dat hij bijzonder weinig zou willen prijsgeven. Hij ziet in Rusland nog steeds een zeer reële bedreiging. Rusland, dat Oost-Duitsland beheerst en niet prijs wil geven. Een situatie waarop het Westen in overleg met Adenauers regering met de herbewapening heeft geantwoord. Deze zekerheid heeft de Bondskanselier niet willen prijsgeven. Dientengevolge is er geen ruilobject en is er weinig werkelijk belangrijks van de Russen te verwachten.

Desniettemin blijft de Moskouse reis één van de bewijzen van de gewijzigde atmosfeer. Een wijziging, die wie zal het ontkennen voor de mensheid van onschatbare betekenis is.

Ik noem het met opzet een gewijzigde „atmosfeer”, omdat daarmee wordt aangegeven die verandering ten gunste, die zich in de genoemde „onderstroom” heeft voltrokken.

Het grote verschil nu tussen Adenauer en zijn Russische tegenspelers is, dat de Westduitse kanselier, in tegenstelling tot de Sowjetregering weinig werkelijke moeite doet om de atmosfeer verder te verbeteren.

Het is uiteraard nog lang geen koek en ei. I>at kan niet, en als het wel zo was, zouden wij ons met lichtzinnigheden inlaten. Er is onnoemelijk veel te regelen en de practische tegenstellingen zijn nog ontstellend groot. Maar voor de verre toekomst hebben wij van een verdere verbetering van de atmosfeer (al loopt die dan vooruit op een aantal feiten) alles te verwachten.

Wat Adenauer heeft gedaan, is in plaats van op zijn minst een streep onder de oude rekening te zetten en in een nieuwe sfeer te trachten oud zeer tot een oplossing te brengen, de kwalijke, kortzichtige, Duitse sentimenten voeden. De achtergronden hiervan moeten wij niet geringschatten. Natuurlijk moeten de Duitse krijgsgevangenen terugkomen. Natuurlijk willen de Duitsers hereniging. Natuurlijk willen zij geen Russische overheersing. Maar het is niet juist, dat Adenauer bijv. de kwestie van de krijgsgevangenen als voorwaarde stelt Voor verdere toenadering. Dat is het op zijn kop zetten van de feiten. De Russen hebben au fond meer te eisen dan de Duitsers.

Politiek gezien is Adenauers houding wat dat aangaat naar twee kanten onjuist. Zij dreigt de sfeer te verknoeien (en als die verknoeid is, is de kans op terugkeer der krijgsgevangenen weer kleiner), en zij ondermijnt de groei ook voor de Duitse bevolking naar toenadering.

In zoverre is de Moskouse conferentie, waarvan de afloop op het moment van dit schrijven nog niet bekend is, een onmiskenbare teleurstelling.

H. VAN VEEN

JAZZ en jeugdverwildering

De opmerkingen van een trouwe Woodbrookster en toonkunstenaresse over Bach en Jazz nopen mij tot een wederwoord.*)

Om te beginnen ben ik erg blij met haar reactie. Ik hou wel van deining. Maar om in „jazz-terminologie” te blijven, het stuk is wat „hot” van toon en stijl. Daar is niets tegen, wanneer zij maar goed gelezen had. Doch dat heeft zij niet. lets wat me van een toonkunstenaresse spijt, omdat men van haar een heilig ontzag voor wat er staat mag verwachten.

Ik zou geschreven hebben een „intens jazzliefhebber te zijn”, ’t Spijt me, dat staat nergens. Ik hou van jazz, indien ik er intens naar kan luisteren. Maar het moet niet te lang duren. Verder: aan Bachs muziek heb ik geen enkele functie van achtergrondmuziek toegekend. Ik heb alleen geconstateerd, dat muziek stellig niet alle muziek! van de oude Bach deze functie voor de hedendaags’e jeugd ook vermag te vervullen. Over het goed of kwaad daarvan repte ik met geen woord.

Interpreteren is het werk van de uitvoerende kunstenaar, maar er iets in lezen wat er niet staat, is onder musici een zonde.

Weer even verder vereenzelvigt zij jazz en amusementsmuziek, nota bene op mijn gezag. Al mijn moeite om een onderscheid te maken tussen jazz en goedkope amusementsmuziek is dus voor niets geweest. Heb ik weer pech gehad. Mag ik herhalen dat er een fundamenteel verschil is tussen jazz en verstrooiïngsmuziek? Tussen twee haakjes, mag ik u raden in plaats van „be-bob” te lezen „be-bop”. ’t Eerste was een zetfout.

Dat „swing” iets met bezieling te maken zou hebben, kan m’n opponente wel uit een Engels woordenboek hebben, maar dekt de werkelijkheid niet. Vermoedelijk hoort zij te weinig jazz om van oor tot oor vast te stellen wat men in de jazz onder swing verstaat. Om het zo simpel mogelijk te zeggen: een rhythmische en melodische verschuiving van tonen door één of meer instrumenten terwijl de rest gewoon doorgaat. Voor wie luistert krijgt zo’n operatie een schokkend, spannend verloop: zijn ze er uit of komt alles toch weer op z’n pootjes terecht? Natuurlijk het laatste. Doel: opvoeren van de spanning, accentueren van een melodische lijn, enz.

Overigens kan men in Bachs muziek veel van die „swing” vinden, alleen niet zo opvallend als in de jazz. Die Bach toch!

Ja, daar zit m’n grootste bezwaar tegen het stuk. Die goede oude Bach wordt hier weer de geniale, stijve, degelijke componist, stikvol met paedagogische bedoelingen. Ik dacht dat we daar langzamerhand overheen waren. De man is geniaal, èn

*) Zie artikel van „Joh. Seb. Bach en be-bop-be” van Annie v. d. Brink-Pothuls in Tijd en Taak van 10 September.

intens vroom, maar tevens blijmoedig, en steeds bereid tot het maken van muzikale grappen, bovendien zeer gecharmeerd van de dansmuziek van zijn tijd. Zijn dans- en concertmuziek diende ter ere Gods en ter verstrooiing van zijn tijdgenoten. Nergens verbiedt hij te lachen of te praten tijdens zijn muziek. Dat Bachs muziek niet lichamelijk zou zijn komt me bepaald te preuts voor. Zo was de oude heer echt niet. Ik heb me nogal een beetje verdiept in zijn leven en denken én in zijn muziek, maar van die bestorven hemelse glimlach heb ik niets gevonden. Wel bij zijn latere bewonderaars, die hem dermate romantisch verheerlijken en voor een kleine selecte, kring willen reserveren, dat ze de grote massa definitief van hem hebben vervreemd. Door die zelfde houding hebben vele muziekpaedagogen jonge kinderen reeds gebracht tot het foute oordeel; Bach is saai. Onlangs nog riep een ontwikkelde dame: „Bach, spaar me, dan ga ik wel een eindje om.” Ze had 14 jaar lang degelijk pianoen vioolles gehad. Ik heb toen een plaat opgezet van het tweede Brandenburgs concert en gezegd dat het van een jolige Vivaldi was. Ze vond het prachtig! Toen zij de waarheid ontdekte, voelde zij zich genomen; vertelde ook hoe haar van jongs af aan de geijkte grootheid en ernst van Johann Sebastian had tegengestaan.

Maar genoeg over Bach senior, die handhaaft zich zonder verdediging ook wel, getuige de groeiende belangstelling die de huidige jeugd voor hem koestert, dié jeugd die ik kan ’t ook niet helpen, opponente óók van jazz houdt.

’t Slot van haar philippica geldt de muzikale opvoeding van onze jeugd. Mag ik maar eenvoudigweg zeggen dat ik niet geloof in de functie van de. herleving van ons Nederlandse volkslied. Ik juich die herleving toe en beoefen die vlijtig met mijn kinderen. Maar ik weet net te veel van de geschiedenis om zonder oorflapperen te durven volhouden dat al deze liederen „Nederlandse” zijn. Het merendeel is van niet-nederlandse oorsprong. Er staat: merendeel... niet: alle! Dat we langs die weg alleen ons volk muziekgevoelig zouden kunnen maken acht ik onwaarschijnlijk. Van betekenis is het volkslied ongetwijfeld omdat het de smaak voor melodie-vormen kan ontwikkelen.

Beperkt is het daarmee ook, omdat er naast de liedvorm zoveel andere muzikale vormen zijn. Ik acht het juist de beperktheid van de jazz als muziekvorm dat zij vrijwel niet boven lied en rondo uitkomt. Ik geloof echter, dat men gegeven een voorliefde van een leerling of van eigen kind voor jazz, daarop uitstekend voort kan bouwen om het kind te helpen andere muzikale werelden te ontdekken. WeUicht vinden ze langs die weg een toegang tot onze eigentijdse muziek, waarin veel meer