is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 37, 24-09-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrede en macht

n.a.v. J. Suys Politiek en vrede. Rekenschap van een antithese. Uitgave Van Loghum Slaterus, Arnhem 1955, 100 blz. A. Viruly: Kain in de cockpit. Uitgave De Bezige Bij, A’dam 1955. 16 blz. ƒ0,45.

De brochure van Viruly is een goed geschreven, persoonlijk getuigenis van een eerlijke pacifist. Ook als men er niet door overtuigd wordt leest men zo’n boekje met profijt. Wel moet ik terloops opmerken dat een argumentatie uit het geloof, dat de mens niet doden mag, eerder verzwakt dan versterkt wordt door te wijzen op de ondoelmatigheid van een Nederlandse defensie tegen atoombommen. Het is niet prettig tegen een dergelijk sympathiek boekje neen te zeggen, maar de schrijver mag zich troosten, behalve met de bijval van gelijkgezinden, met het kwaad geweten van zijn tegenstanders.

Heel anders is het boek van dr. Suys. Men kan deze auteur veel verwijten, maar niet dat hij zich van het vraagstuk van oorlog of vrede gemakkelijk af maakt. Ik prijs me gelukkig, dat ik zijn boek juist dezer dagen las. De meer dan schijnbare verheldering van de internationale stormhemel is de juiste belichting van zijn boek. Laat ik beginnen met te stellen, dat zijn boek geen gemakkelijke kost is: het werd moeizaam geschreven. Nu mag ik in beginsel geen bezwaar hebben tegen moeilijke boeken; als het vraagstuk zelf moeilijk is, doet men het probleem onrecht en komt men tot vervalsing der gegevens, als men het gemakkelijk voorstelt. Maar in dit geval gaat deze verontschuldiging niet op. De lezer heeft voortdurend het gevoel, dat de zaken, waar het hier om gaat, eenvoudiger en dan ook doeltreffender geformuleerd hadden kunnen worden. Niet, dat ik dit bezwaar ernstig vind. leder vogeltje zingt zoals het gebekt is en het boek van Suys verdient ongetwijfeld aandacht. Het is om een nietszeggende moderne formule eens zinvol te gebruiken: de moeite waard.

Een tweede bezwaar dat fundamenteler ■ is, betreft de denktrant van Suys: zo op de manier van „alles of niets”. Als Ik me goed herinner, is Suys destijds gepromoveerd op SJestow, een Russische denker, die er een dergelijke denkwijze op nahoudt, een denkwijze, die sommige mensen, en tot hen hoor ik helaas ook, op den duur irriteert. De helderheid, die gewonnen wordt door de zaak duidelijk in zwart en wit te schetsen, wordt gewonnen doordat alle nuances verwaarloosd worden. De lezer heeft voortdurend het gevoel, dat hij met de pistool op de borst, gedwongen wordt ja of nee te zeggen en eigenlijk alleen maar eerlijkheidshalve zeggen kan: „Ja en nee” of „Dat hangt er van af.” I

De stelßßg van dr. Suys is in het kort; deze: Er is een onherleidbare tegenstelling! tussen politieke macht en vrede. Wil menj dus vrede, dan moet politieke macht afge-| zworen worden. JSI ontwikkelt dit j

Eigenlijk is politiek macht en het recht dient slechts tot camouflage van de njacht. Deze toestand te ontmaskeren is de eerste taak der politieke wetenschap, die vervolgens in haar strijd tegen de macht moet aansturen op een wereldmacht, berustend bij een wereldregering, die omdat ze het welzijn van het geheel behartigt, verondersteld wordt niet meer in strijd te zijn met het recht, dat dan berusten kan op vrijwillige overeenstemming. (I). Terloops merk

ik op, dat een van de grondstellingen die heel dit boek schragen is dit m.i. blinde en oncritische vertrouwen in de vrijwillige overeenstemming. Dit leidt zowel tot een overspanning van de democratische idee, omdat ook deze overeenstemming getoetst zou moeten worden aan een misschien absolute waarheid, maar ook tot een leeg formalisme: men krijgt nooit te zien, waartoe die vrijwillige overeenstemming leidt: het zou wel eens de dood in de pot kunnen wezen!

Vervolgens betoogt dr. Suys dat een ernstig pacifisme niet alleen streven moet naar een vrede tussen de staten, een vrede liefst door recht, maar dat het ook de onvrede op ideologisch gebied ofte wel de oorlog tussen de partijen binnen nationaal verband moet tegengaan. Hij meent dat dit mogelijk is op grond van de formule, die ze allen heten na te streven, nl. die van vrijheid en gelijkheid. (II). Sterk staat Suys als hij wijst op het ideologisch karakter van de laatste wereldoorlog en daaruit de noodzaak afleidt de ideologische tegenstellingen te verzwakken, maar dat zijn formule daartoe geëigend Is, meen ik op practische gronden hem te moeten bestrijden: kunnen immers kapitalisme en socialisme niet beide door deze formuie, ruim genoeg verstaan, omschreven worden?

Consequent aan zijn uitgangspunt vervolgt dr. Suys met een pleidooi voor een vredesbeweging, die principieel de oorlog afwijst, die dus elke bondgenoot aanvaardt uit welk ideologisch vaderland ook, mits hij „vrede boven alles” ondertekent; een beweging die zich zelf van elk ideologisch vooroordeel vrij houdt, dus geen „vrede èn socialisme”, „alsof vrede-alleen onvoldoende en smakeloos zou zijn.” (blz. 38) (III). Ook hier sluipt bij mij weer dezelfde twijfel binnen: wordt hier het ontledigde begrip vrede niet overspannen?

In het vierde hoofdstuk zegt de schrijver behartigenswaardige dingen over de verhouding van doel en middelen in de politiek (vooral blz. 60). Ik vind dit het fraaiste hoofdstuk (IV), hoewel ook hier, maar nog scherper in hoofdstuk V de staf gebroken wordt over iedere transcendentele leer (voor ’t gemak „ideologie” genoemd), die mij veel en veel te ver gaat. De schrijver stelt in dit laatste hoofdstuk duidelijk dat een algemene wereldvrede politiek op het ogenblik niet nastreefbaar is. Hij levert terloops een doeltreffende critiek op bepaalde marxistische stellingen, een critiek des te waardevoller, omdat hij niet vreemd staat tegenover de leer van Marx. Zijn pleidooi voor het vreedzaam en concurrerend naast elkaar leven van tegengestelde levensbeschouwingen (Suys noemt dat alles ideologie in de min of meer marxistische zin, een taalgebruik, dat ik per se niet meemaak) sluit fraai aan bij het herderlijk schrijven der Synode en voert hem tot duidelijke afwijzing van Rommes berucht Grondwetsontwerp. Zelf wil hij zijn vredesactie baseren op ethische en wetenschappelijke gronden. Voor zover dit inhoudt het primaat van de ethiek op de politiek, onderschrijf ik dit gaarne, maar met een verwijzing naar hoofdstuk IV wil ik toch wel als moeilijkheid opperen, dat ik de vrede wel als hoge maar niet als allerhoogste waarde kan zien, dus toch als tussendoel, dus toch als middel. Ik voel veel voor Augustinus’ omschrijving: vrede is de rust der orde. En dan

vraag ik onmiddellijk; vanuit welk gezichtspunt is deze orde aangehracht?

Dr. Suys is zo bezeten van zijn liefde voor de vrede, dat hij niet verder vragen wil. Zou hij zo vraag ik me aarzelend af instemmen met een wereldvrede, afgedwongen door de wereldwijde overheersing van het communisme? Op grond van zijn boek blijf ik voorlopig het antwoord schuldig en daarmee is meteen de grens van mijn instemming met dit knappe boek getrokken. Hij kan me vragen: Zoudt gij die willen keren met een atoomoorlog? Ik moet beschaamd erkennen, dat ik hierop ook geen antwoord weet, maar hier twijfel ik: ik leg me niet vast, maar bid God, dat Hij de mensheid dit smartelijk alternatief besparen wil. Doch tegen dr. Suys handhaaf ik mijn hartstochtelijke vredeswil, maar dan gebaseerd op wat hij ideologie gelieft te noemen, d.w.z. op mijn geloof in Jezus’ gebod en belofte. J. G. B.

Neo-fascisme

„Ik dacht niet aan politiek, aan rassenof klassenstrijd, ik liep de loopplank af, onder de schroeiende zon die ik voor het eerst bewust hervond als een oude kennis; de loods in; en terwijl ik met mijn sleutels scharrelde, bromde een van mijn vrienden in mijn oor: Ja, hier is het fijn, zie je; als je hier maar niks van de NSB zegt, dan zal je je weg wel vinden.” Zo schreef E. du Perron in 1939 in zijn Indisch Memorandum. En zo laat ik het even staan zoals het er staat. Dat het de achtergrond vormt van het neo-fascisme in Nederland zal aanstonds wel duidelijk worden.

Hoe begrijpelijk is het, dat er in de jaren dertig, met een kleine half millioen werklozen en ’t kwadraat aan werklozenleed, vele mensen waren die het nieuwe in Duitsland en Italië, met sympathieke belangstelling gadesloegen. De mens in nood zoekt altijd naar uitwegen. En in den beginne had het er de schijn van, dat de grote maatschappelijke en economische nood van Europa, door het fascisme zou kunnen worden opgelost. Een vergissing? Ja, achteraf bezien, een kolossale vergissing. Maar de besten onder ons maken dikwijls grote vergissingen. Dat een Kaj Munk, die later als verzetsheld door de Duitsers is vermoord, openlijke sympathieën heeft gekoesterd voor het fascistisch Italië, is er een bewijs van. Toen echter Nazi-Duitsland door z’n Jodenpogroms, kerkvervolging en fanatiek-militarisme het masker had afgeworpen en Mussolini verkondigde, dat zijn wil geen hinderpalen kende, moest voor elk redelijk denkend en voelend mens het WARE karakter van het fascisme duidelijk zijn geworden. In Nederland met een vrije pers, is het ook duidelijk geworden. De NSB werd gehalveerd. Alleen de verblinden en misleiden bleven Mussert volgen. |

10 Mei 1940 werd voor ons volk de datum, waarop de mogelijkheid tot keuze voorgoed was afgelopen. Het lidmaatschap van de NSB was niet meer te verontschuldigen. De geschiedenis hééft zich voltrokken en wederom bleek deze een gericht te zijn. Het fascisme bleek na de bevrijding nog verschrikkelijker te zijn geweest dan wij ons hadden kunnen voorstellen. Wie na de nazi-catastrofe, op redelijk-poiitieke gronden, nog altijd het fascisme was toegedaan, was politiek vergiftigd, krankzinnig of