is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 38, 01-10-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Problemen van coêducatie

Vrij vanzelfsprekend lijkt in onze moderne maatschappij de coêducatie het samen opvoeden van jongens en meisjes geaccepteerd.

In één van de zomercursussen in Bentveid merkte een oude heer op dat hij in zijn jeugd toch al met jongens en meisjes in één klas zat. Inderdaad, als we zien naar de scheien van de kleuter- tot en met de middelbare scholen, dan zien we hoe de kiassen gevuld worden met meisjes en jongens. In verenigingen trekken zij met elkaar op. De opleidingen voor aiierlei beroepen staan open voor beide seksen en te zamen worden zij ervoor klaargemaakt.

Natuurlijk zijn er opleidingen die speciaal voor jongens zijn en die speciaal voor meisjes zijn.

Ook zijn er met name in r.k. kringen, die oordeien dat coêducatie pas op latere leeftijd goed is en onder bepaalde omstandigheden.

De problematiek aan deze vraag vast wiide ik echter nu niet aan de orde stellen.

Wanneer boven dit stuk staat problemen van coêducatie dan wordt niet bedoeld het al of niet juist oordelen van dit te zamen opvoeden, maar ga ik juist uit van de feitelijkheid ervan.

Het gaat hier om andere dingen.

Een aantal cursussen in Bentveid gehouden deed de vraag rijzen of wij bij alie accepteren en als normaal zien van het te zamen opvoeden van jongens en meisjes niet dikwijls het wezenlijke over het hoofd hebben gezien..

Dat in ’t geheel van de maatschappij het samenwerken tussen man en vrouw dikwijls zo moeizaam gaat moet toch vooral ook zijn oorzaak vinden in de wijze waarop de jongen en het meisje, de jonge man en de jonge vrouw tot die samenwerking worden voorbereid.

Eigenlijk moet dat ook van het gezinsleven gezegd worden. Ook daar zitten wij veelai vast aan aiierlei verouderde gezinspatronen en lukt het niet het wezenlijke samenwerken van de man en de vrouw gestalte te geven.

In de ontwikkeling van de moderne maatschappij zijn gezin en arbeid uit elkaar geraakt.

De vrouw is in de arbeid niet meer aan het hart van de dingen, is achtergebleven in de verschraalde ruimte van het gezin. Omgekeerd is de man in het gezin niet meer aan het hart van de dingen, maar is dikwijls geworden tot slechts de geldinbrenger (zou ’t daardoor zijn dat de man het dikwijls zo moeilijk verdragen kan dat ook de vrouw geid inbrengt omdat hij zich bedreigd ziet in z’n bijna enige gezinsfunctie?)

Maar ergens houden we ’t gevoel dat het niet helemaal lukt en ik geloof dat juist hier de opvoeding een zeer grote betekenis heeft.

Het samen opvoeden van jongens en meisjes in het gezin, in de school of waar dan ook krijgt niet die betekenis die het zou kunnen hebben, wanneer wij in wezen vasthouden aan oude patronen en geen echte vooroefening geven in het samen menszijn.

Laten we proberen het te concretiseren. Als heel klein kind wordt het kind dikwijls al in het oude patroon gedrongen:

„Dit doen jongens niet” en „dat past niet bij een klein meisje!” waarbij de eerste uitdrukking bepaald zwaarder weegt. Want doet een jongen, wat naar onze geijkte mening bij een meisje hoort, dan oogst hij grote afkeuring. – Ik trek meteen een lijn door. Zou het daardoor ook niet komen dat een man veelal weigert een arbeid te doen die eerst door vrouwen is gedaan? – Doet echter een meisje iets, wat alweer naar ons oude beeld bij een jongen past, dan wordt het geremd, maar heimelijk toch wel aardig gevonden. Diep op de achtergrond speelt mee het nog niet overwonnen gevoel van de meerwaardigheid van de mannelijke prestatie.

Het is hier meen ik dat we zowel thuis als op school moeten ingrijpen en beginnen met werkeiijk samen opvoeden van deze twee. Het zijn twee heel kleine mensenkinderen die al spelende zich zelf gaan worden aan elkaar. Daartoe is de vrijheid nodig, die eik ontplooiend leven behoeft. Het zijn deze jongen en dit meisje die opgroeien met eigen mogelijkheden, niet dé jongen (wie is dat?) en hét meisje (welk?).

Heel simpel gezegd: als dit meisje houdt van in bomen klimmen, dan laten wij haar klimmen en als deze jongen houdt van met poppen spelen, dan laten wij hem daarmee spelen zonder te denken dat het eigenlijk andersom hoort. Misschien ieert zo het meisje iater wat verder kijken dan het eigen gezin en de jongen in de toekomst omgaan met zijn eigen kinderen.

Wij zulien dan ook wel ontdekken, dat een meisje anders in een boom kiimt dan een jongen en een jongen anders met de poppen omgaat dan zijn zusje. Anders, niet beter of slechter.

Op dit laatste komt het aan in de coêducatie. Jdligen en meisje zullen al spelende en werkende moeten leren ontdekken dat ze samen zijn, samen het werk verrichten en toch anders zijn en daardoor ook eigen kleur aan het werk geven.

Vanzelfsprekend zal dit „anders zijn” bij het jonge kind minder duidelijk naar voren komen. Maar de wijze waarop de volwasse-

ne reageert op dit samenspel, geeft de lijnen aan waarlangs de opgroeiende jonge mens gaat verder denken.

Dwingend worden deze dingen in de puberteit, waar de groei tot man en vrouw een bewuste zaak wordt.

De iaatste tientaiien jaren is veel geschreven en gedacht over de seksuele voorlichting en opvoeding. Deze is echter nog veel te weinig gezien in de totaliteit van man en vrouw worden.

Heeft het zin te vertellen aan een jong mens dat de lichamelijke functie van een vrouw anders is dan die van een man, dat beide op elkaar zijn ingesteld zonder dat we erbij vertellen dat deze zijde van de lichamelijkheid is ingebed in het totale mens zijn van man en vrouw? Dat is ’t wezenlijke van de opvoeding tot man en vrouw. Juist in hun totale levensfunctie zijn man en vrouw samen mens.

Wanneer wij op onze scholen één door de historische situatie mannelijk gekleurde maatstaf aanleggen bij het opgeven en beoordeien van werk, dan faien wij in onze coêducatie, al zitten jongens en meisjes broederlijk en zusterlijk samen te zwoegen.

Overigens onderschat ik dit samen bezig zijn uiteraard niet!

Het gezameniijke en het eigene van de aanpak van beiden zal aan beiden duidelijk moeten worden zonder een waardering die „anders” tot beter of slechter maakt.

Dit zo te steilen lijkt in sommige kringen open deuren intrappen, maar de praktijk van onze gezinnen, onze scholen, enz. staat veelal verre van deze dingen.

Het is niet voidoende dat meisjes deelnemen aan bestaande vormen, deze vormen moeten opnieuw doordacht worden. Ook daar waar men de eenzijdigheid ziet poogt men deze te verheipen door bijv. meisjes daarnaast lets anders te geven, zonder te bedenken dat jongens in dezelfde eenzijdigheid ook hun man zijn niet kunnen realiseren.

Man-zijn en vrouw-zijn is een relatiebegrip en zonder deze wezenlijke relatie op alie gebieden gestalte te geven komen wij te kort.

Dit zijn de wezenlijke problemen waarvoor de coêducatie ons stelt. Het vraagt van ons een opnieuw doordenken van deze dingen zonder ons vast te leggen op oude patronen.

Ik weet dat hier en daar pogingen worden ondernomen, maar de maatschappij weet er nog maar weinig aan mee te doen.

Laten deze enkele gedachten, opgekomen tijdens een aantal zomerconferenties een kleine bijdrage zijn tot hernieuwde bezinning.

W. H. BUIJS