is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 40, 15-10-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ den Heer I behoort de aarde j l en haar J \ volheid. i Psalm 24 : 1 J

Jyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 15 October 1955 No. 40

Redactie: ds. J. J. Buskes Jr. ds. L. H. Ruitenberg ds. J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr. J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr. W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen

dr. M. V. d. Voet ds. H. J. de Wijs Mej. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

[bonnement perjaarf 5,—; halfjaar ƒ 2,75; kwartaal ƒ 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

Hulp aan de onontwikkelde gebieden

Mijn vorig artikel besloot ik met de opmerking, dat ik nog iets op mijn hart had. Daaraan is mijn laatste artikel over de nieuwe politiek in een nieuw tijdperk gewijd. Er is een tijd geweest, dat slechts enkelen de noodzakelijkheid van een grootscheepse hulp aan de onontwikkelde gebieden inzagen em bepleitten. Die tijd ligt nog niet zo ver achter ons. Wij zijn echter in een periode gekomen, dat die noodzakelijkheid door allen wordt erkend.

Nu dreigt er echter een gevaar, dit gevaar, dat grootscheepse hulp aan de achtergebleven gebieden een algemeen aanvaarde leuze is geworden, maar een leuze blijft zonder dat deze leuze in daden wordt omgezet.

Tegenstanders van hulp aan de onontwikkelde gebieden zijn er niet meer. Altijd opnieuw wordt er over die hulp gesproken. In alle groepen van ons volk. Er is, voor zover ik weet, geen enkele politieke partij in Nederland, die de leuze afwijst. Intussen gebeurt er, ik zeg niet: niets, ik zeg wel: weinig, veel te weinig!

Voor een deel is dat te verklaren uit de gecompliceerdheid van het vraagstuk, dat zeker niet eenvoudig is. Voor een ander deel moet de oorzaak gezocht worden in het feit, dat het een vraagstuk is, dat niet door één enkel volk kan worden aangevat en opgelost. Het is een zaak van alle volken.

Toch is hiermee het eigenlijke nog niet gezegd. De eigenlijke oorzaak zoek ik in het feit, dat het Westen de noodzakelijkheid van een grootscheepse hulp wel inziet, maar tot nog toe niet in staat bleek de geestelijke kracht op te brengen, die onmisbaar is, om dit inzicht in daden om te zetten.

De gezindheid, die vereist is, ontbreekt nog vrijwel geheel.

Het duidelijkst kan ik dit illustreren aan het vraagstuk van de belastingverlaging. Belastingverlaging is mogelijk, omdat wij leven in een periode van hoogconjunctuur. Vrijwel over de gehele linie van ons volksleven wordt voor belastingverlaging gepleit. Er zijn slechts enkelen, die de gedachte hebben gepropageerd: Geen belastingverlaging, maar het geld, dat door een eventuele belastingverlaging zou kunnen vrijkomen, beschikbaar stellen voor de hulp aan de achtergebleven gebieden!

Men weet, dat een aantal landgenoten aan de minister van Financiën bericht heeft gezonden, dat het om deze reden belastingverlaging weigert.

Men kan slechts betreuren, dat geen enkele politieke partij zich in deze geest heeft uitgelaten. Het zou eigenlijk zo moeten zijn, dat heel ons volk bereid was. Dat is het zeer stellig niet. Er moet dus heel wat meer gebeuren dan dat wij de leuze „Hulp aan de achtergebleven gebieden” pro memorie uittrekken. Er zal een nieuwe gezindheid gewekt moeten worden. Daartoe hebben niet alleen de regering, het parlement en de politieke partijen, maar ook de kerken en Het Humanistisch Verbond een taak. Laten wij deze taak niet onderschatten.

Indien niet alles op alles wordt gezet, om een nieuwe gezindheid te wekken, komt er ondanks alle mooie toespraken van de hulp aan de onontwikkelde gebieden niets terecht.

Het gaat er om, of wij, die tot de bevoorrechten in de wereld behoren, bereid zijn zo nodig een verlaging van levensstandaard

te aanvaarden ter wille van het welzijn van alle volken en de vrede in de wereld.

De noodzakelijkheid van de hulp is niet meer in discussie. Over haar zijn wij het allen roerend eens. In discussie is de vraag, of wij bereid zijn te doen wat een grootscheepse hulp van ons vraagt. Met woorden alleen komen wij niet verder. Het gaat om daden.

Wat zich rondom de belastingverlaging aan overleg en discussie heeft afgespeeld is nu niet bepaald bemoedigend. De meesten hebben er niet eens aan gedacht, dat juist bij het vraagstuk van de belastingverlaging de hulp aan de achtergebleven gebieden aan de orde had moeten komen. Anderen meenden, dat men er de staat en de belasting niet bij moet halen, omdat het bij die hulp gaat om particulier initiatief en liefdadigheid, een mening, die getuigt van een volslagen gemis aan inzicht in de aard en de omvang van het vraagstuk, zoals Het Vrije Volk kort geleden terecht opmerkte.

Wanneer men let op de verhouding van de bedragen, die op onze begroting voor defensie en voor de hulp aan de achtergebleven gebieden wordt uitgetrokken, zal men schrikken. Indien deze verhouding niet verandert, zal er van een nieuwe politiek geen sprake zijn. Dan blijven wij voortsukkelen op de wegen van de oude politiek, waarbij het accent vrijwel geheel op de bewapening valt.

Met de gedachtengang van Banning kan ik dus instemmen, maar ik gevoel mij gedrongen met grote nadruk uit te spreken, dat, als er niet een nieuwe gezindheid gewekt wordt in het hart van ons volk, de nieuwe politiek een wensdroom blijft.

Laat de zaak van de hulp aan de achtergebleven gebieden daarom in de politieke partijen en de kerken met grote ernst aan de orde worden gesteld. Dat moet. Want, komt er geen verandering in gezindheid en levenspraktijk de levenspraktijk hangt met de gezindheid samen dan blijft de geboden hulp een druppel op een gloeiende plaat. Dan blijft alles bij het ouda Dan misleiden wij ons zelf door over een nieuwe politiek te spreken, daar wij dan immers onder de vlag van een nieuwe politiek onze politieke zaak op de oude voet voortzetten.

Dat zou meer dan afschuwelijk wezen, daar wij immers allen van de noodzakelijkheid van de hulp aan de achtergebleven gebieden overtuigd zijn. Onze schuld zou dan niet zijn: onwetendheid, maar: onwil!

J. J. BUSKES JR.