is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 40, 15-10-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ontstaan van

de Partij van de Arbeid

Het proefschrift van dr. H. M. Ruitenbeek over het ontstaan van de PvdA ligt voor mij. Een boeiend werk, omdat het laat zien welke krachten gewerkt hebben op het ontstaan van de partij van het moderne socialisme en omdat het een ontleding geeft van de verschillende bewegingen en stromingen tussen de beide wereldoorlogen, die tot deze partij geleid hebben. Vele bronnen zijn aangeboord en voor wie de geschiedenis van het ontstaan zelf heeft beleefd is het Interessant zijn herinnering opgefrist te krijgen en discussies te lezen, waar hij geen weet van had.

Uiteraard, het is een historisch proefschrift. En historiebeschrijving vraagt én objectiviteit én invoelingsvermogen. Het boek voldoet aan redelijke eisen, al zou men wel eens minder citaten en meer typeringen wensen. De mensen blijven wat kleurloos. Maar dat is misschien voor een proefschrift een onbescheiden eis. Wij kunnen dr. Ruitenbeek dankbaar zijn voor dit werk. Want nu liggen toch wel een paar dingen vast.

In de eerste plaats, dat de omschakeling van de SDAP naar de PvdA (zoals de tegenstanders graag zeggen) geen plan was van verhitte oorlogsbreinen, die in de broeikassen van Noord-Brabant hun activiteit niet konden stilleggen. Integendeel: de wereldoorlog heeft het proces, dat reeds lang aan de gang was, alleen maar versneld en misschien de vormen bepaald.

in de tweede plaats, dat de SDAP in haar geheel volstrekt niet stond te voetentrappelen van ongeduld, om de oude partij vaarwel te zeggen. Het waren jongeren, minder aan de traditie hechtend, gevoeliger voor critiek, die stuwden naar verandering. Het waren oud-AJC-leiders, oud-SDSC’ers, ook mensen, die via Bentveld geleerd hadden dat geestelijke vragen belangrijk zijn, die ervoor pleitten. Vorrink sprak nadrukkelijk van offers, die gebracht moesten worden. Thomassen wilde practisch de oude SDAP helemaal niet terug. Woudenberg en Drees remden als goede realisten dit proces af en zij zullen wel de meerderheid der SDAP’ers achter zich gehad hebben.

In de derde plaats wordt duidelijk, hoezeer de combinatie van geestelijke verschuivingen en sociaal-economische veranderingen dit resultaat opleverden. In vele groepen. Men kan uit dit boek leren, dat practisch (er zijn uitzonderingen) slechts de wereld van de Gereformeerde Kerken immuun was voor veranderingen. Zij had dan ook een 15 jaar te voren een geduchte aderlating ondergaan door de uitbanning van de ook politiek progressieve Geelkerkianen en zij zat midden in het conflict met prof. Schilder, die de aandacht van het ge-

reformeerde kerkvolk juist de andere kant uittrok. Maar alle andere groepen bleken behoefte te hebben aan her-oriëntering. Jong-katholieken, jong-christelijk-historischen, jong-liberalen, de vrijzinnig-democraten. De geestelijke veronderstellingen werden opnieuw aan de orde gesteld, en de noodzaak straks een nieuwe samenleving op te bouwen na de periode van de werkloosheid en van het nazidom was daartoe de drijfkracht.

Dit alles moet thans nog verwerkt worden. De studie van het ontstaan gaf er geen aanleiding toe, maar de bestudering van de studie noopt er wél toe te vragen: en welk type socialisme zal het resultaat zijn van deze gebeurtenis, enig in de geschiedenis van Europa om van daarbuiten maar te zwijgen? Want laten wij goed begrijpen, wat er eigenlijk gebeurd is.

Terwijl het democratische socialisme in de 19e eeuw zijn geestelijke krachten putte uit het liberale denken en voelen, zou het, wat Nederland betreft, het in 1945 gaan wagen met te zeggen: wij staan open voor alle mensen, die hetzelfde doel nastreven. Mét hun geestelijke bagage. Vroeger was het: ondanks hun geestelijke bagage. Dit nieuwe is een avontuur. Een heerlijk avontuur mijnentwege. Maar een avontuur. Want niemand weet, hoe hij eruit komt.

Een politieke beweging immers, die uitdrukkelijk vraagt: kom op met uw geloof, met uw beschouwingen, met uw ongeloof, kan de ogen er niet voor sluiten, dat in dit proces van actieve ontmoeting iedereen (behalve de dikhuidigen en dikschedeligen, die overal ter wereld voorkomen) er door veranderd moet worden. Onbedoeld, ongewild. Maar wel: te verwachten.

. De vraag doet zich daarbij voor, of de PvdA dit moet bevorderen of moet tegengaan. Ik meen: zij moet er voor openstaan, zonder dit proces te forceren of te blokkeren. Het proces is overigens aan de gang.

Wil men dit proces op z’n duidelijkst zien, dan doet men goed de nota te lezen, die Albarda op 4 Juli 1939, na de verkiezingen aan het partijbestuur van de SDAP schreef en die dr. Ruitenbeek als bijlage in zijn boek opnam. De verkiezingen waren niet best geweest. Het socialistisch kiezerskorps bleek, ondanks het Plan van de Arbeid, ondanks het nieuwe program, niet gegroeid te zijn. Albarda constateert, dat men ook verdere groei niet meer verwachten kan. Want de helft van ons volk is in confessionele boeien geslagen en van de rest, de niet-confessionelen, kan een socialistische partij, zoals uit andere Europese verkiezingen bleek, niet meer dan 45% verwachten. Op dat punt, aldus Albarda, was men aangeland. Reden: het proletariaat groeit niet meer; het socialistisch

dogma, eens een sterk middel in de strijd, is thans een belemmering.

Hij houdt er rekening mee, dat de godsdienst niet verdwijnt. Het proietariaat wordt niet godsdienstloos. De godsdienst wint terrein. En dat is niet een crisisverschijnsel of een angstmysticlsme. De godsdienst moet dus als verschijnsel aanvaard worden. Het anti-papisme, nog wel voorkomend in de SDAP, is verkeerd.

Na een pleidooi voor deelneming, mét r.- katholieken aan een kabinet, besluit hij met de overtuiging uit te spreken, dat de SDAP een nieuw tijdperk moet binnentreden. Anders demoraliseren de troepen en glijden velen af naar extremisme en sectarisme.

Tot zover Albarda.

Let op de datum: Juli 1939.

Let ook op de houding tegenover de godsdienst. De partijleider waardeert het verschijnsel op zijn politieke betekenis. Maar niet op zijn innerlijke kracht. Er is bij Albarda nog geen verwijzing naar de mogelijkheden voor de wezenlijke veranderingen van het socialisme, als godsdienstigen (en niet alleen de religieus-socialisten als groep daaruit) in groten getale toetreden. De brief van Albarda is gedacht in termen van macht, niet in die van geestelijke kracht.

Men versta mij wel. Dit is allerminst een verwijt aan de toenmalige partijleider. Wat hij schreef, was een neerslag van wat hij als politicus waarnam. En wat hij schreef was juist. Maar het was onvolledig.

Thans, meer dan 15 jaar later, nu wij tien jaar bezig zijn met wat Albarda toch eigenlijk hoopte al lagen de vormen uiteraard niet voor de hand nu moeten wij vaststellen, dat de sfeer van het socialisme veranderd is. Nu maken wij, dat waar de religie als verschijnsel opgemerkt wordt, niemand zich kan onttrekken aan de noodzaak om er op een of ander manier mee bezig te zijn. Haar te waarderen. Haar af te wijzen. Haar als een onverteerd brok in het leven, óók van de politiek, mee te dragen.

Dit proces is begonnen. Niemand kan zeggen waar het eindigt. Maar de Partij van de Arbeid, tien jaar geleden ontstaan, kan dit proces in haar geiederen niet vrijblijvend en achteloos z’n gang laten gaan. Zij zal dat ook niet doen.

Ziehier, wat mij het meest op het hart lag na de lezing van het leerzame boek over „Het ontstaan van de Partij van de Arbeid”*). L. H. R.

♦) Dr. H. M. Ruitenbeek, „Het ontstaan van de Partij van de Arbeid”. Maatschappelijke vraagstukken 2. Publicaties van de Dr. Wiardi Beekman Stichting. Arbeiderspers 1955, 280 blz. ƒ 17,50.