is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 40, 15-10-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

‘Ciske’

Een Ónmogelijk boek en een goede film

J|en belangrijk Duits regisseur heeft een vakkundige film van een onwaarachtig en onmogelijk boek gemaakt. Meestal is het omgekeerd.

Voor de zoveelste keer leert ons „Ciske de Rat”, dat bij de film de regisseur alles is; en ziedaar: wat tot nu toe in geen enkele Nederlandse film mogelijk was, blijkt nu te kunnen. Nederlandse acteurs en actrices vormen een team en spelen zo goed, dat wil zeggen zo onopgeschroefd, onpathetisch en onnadrukkelijk als in een film beslist noodzakelijk is. Dit heeft regisseur Wolfgang Staudte, van wiens werken vooral „Der Untertan” terecht wereldberoemd is geworden, uit hen gehaald.

Maar wat heeft hij uit de in psychologisch en artistiek opzicht onaanvaardbare best-seller van Piet Bakker gehaald? Hier begint het grote probleem. Ondanks het feit, dat Staudte ook het scenario voor zijn rekening nam, waardoor het hele geval strakker en minder larmoyant werd, bleef als „voorbeeld” toch die veelgelezen roman. Essentiële wijzigingen konden niet worden aangebracht.

Wolfgang Staudte zat aan dat ding vast, hij moest er als het ware tegenop filmen.

Dit is een hele toer. Heeft hij deze krachttoer volbracht?

Hij, de buitenlander, heeft de spelers een functionele plaats in zijn film gegeven, zoals ook de sfeer van Amsterdam, zijn oude buurten en haven, voortreffelijk getroffen is. Filmrijmen, flashbacks en vooral closeups werden in een soms boeiende lichtschaduwwerking toegepast. Alleen zou men ook hier de vraag kunnen stellen: waarvoor al die moeite?

Wat heeft deze film hun, die het misschien nog niet wisten, aangetoond? Er zijn in Nederland acteurs en actrices die ook voor de camera-lens voldoen. Er zijn zelfs onbekende jongetjes, waarmee een regisseur kleine wonderen kan verrichten

(waarbij in dit geval aan Dick van der Velde gedacht wordt). Er zijn Nederlandse steden, die voor buitenopnamen uitermate geschikt zijn. Als er ddn nog een goede story is, kan een goed regisseur in ons land inderdaad een film vervaardigen, die op internationaal peil zou kunnen staan.

H. WIELEK

DE GROTE VERKOPING

Ik wilde je waarschuwen, zoals ik zelf ook gewaarschuwd ben. Straks zeg ik wel waarvoor, maar eerst moet ik dan het verhaal vertellen van de grote verkoping.

De duivel zelf hield die verkoping. Zijn veilinglokaal stond vol, allemaal tweedehands rommel, het meeste al heel, heel oud. zodat het hoog tijd werd om er eens opruiming onder te houden. Al vroeg in de morgen, uren voordat de verkoping kon beginnen, stonden er drommen kleine duiveltjes voor de deur te wachten. In regen en wind, hagel, sneeuw en ijs, bij het rommelen van de donder en het flitsen van de paarse bliksemschichten stonden ze daar. Ze klapperden met hun spitse oren, kwispelden met hun lange, kale staarten en krabden zich, popelend van gespannen verwachting, met de hoef van hun rechtervoorpoot over hun buik Of ze plukten elkaar kluiten drek uit de stugge, grauwe haren, waarmee hun dikke lijven begroeid waren En ze snaterden maar, met hun schelle, krassende stemmen, een nog harder dan de ander. En ze snoveri behaaglijk de stank op van zwavel en solfer, die door de kieren drong van de poorten van de plaats, die we liever niet zullen noemen. Toen de hoge, met roestig deuren van verkoold hout einde ijk opengingen tuimelde de hele schaar, kop aan staart, naar binnen. Hun glinsterende sluwe oogjes gloeiden van begele tanden heten zien. En ze graaiden met hun grijpvingers met lange nagels, maar LTde

„Afblijven! Afblijven! Afblijven!” Ze

mochten de rommel alleen bekijken en er aan snuffelen. Daar hadden ze eerst ook wel genoeg aan. Want er lag nogal wat. Stapels goede trouw, die alleen aan de hoeken een klein beetje beschimmeld was. Bergen vriendelijkheid, het meeste echter verzuurd. Kisten en mandenvol eerlijkheid, die nog gloednieuw leek, maar allang wormstekerig was geworden. Mandenvol moed, een beetj e beschadigd, maar daarom nog best te gebruiken voor mannen en vrouwen, die vaderlandslievende redevoeringen moesten houden. Bakken vol geloof; en een klein duiveltje, dat zich daaroverheen boog om het eens goed te bekijken, schetterde:

„Je zou zweren, dat het zo uit een goed mensenhart komt, maar de slakken zijn er al te vaak overheen gekropen en daardoor is het een beetje slijmerig geworden! Hihihi!”

Hulpvaardigheid lag er; half versleten goede wil; openhartigheid, nogal verweerd en beslagen; spaarzaamheid die van ouderdom op gierigheid begon te gelijken; werklust en alle andere goede gaven, die Onze Lieve Heer de mensen meegeeft op hun lange en moeilijke weg door het leven. Maar liefde en vooral naastenliefde lag er toch het meest en wat er daarvan lag was het minst beschadigd; het leek nog niet eens bijzonder oud en moest maar zelden gebruikt zijn. Zelfs de kleine duiveltjes stonden er niet lang bij stil en meenden:

„Daar zal de Oude wel mee blijven zitten of hij moet het voor een prikje van de hand doen, want er is weinig vraag naar.” En toen begon de verkoping. De oude duivel zelf was afslager en stond, vooraan in

het lokaal op een verhoging. Zijn grootmoeder zat naast hem in een geel geverfde bank en dat was een ouderlingenbank uit een klein kerkje, dat al heel lang leeggestaan had eer het in de oorlog onder het geweld van bommen en granaten in puin geschoten werd. Hoe het bankje in het verkooplokaal van de duivel terechtkwam is een apart verhaal; dat ik niet hoef te vertellen. Een heel dik boek met een bruin leren kaft en grote zware koperen sloten had de grootmoeder van de duivel voor zich liggen. Een ganzeveer had ze achter het oor; ze was nog een beetje ouderwets en gebruikte die als pen.

..Toe maar,” zei ze tegen de oude duivel, ..Eerst maar dat partijtje mededogen.” ..Nee,” zei de oude duivel „Eerst een toespraak!” Hij hoefde natuurlijk helemaal geen toespraak te houden, maar daar was hij nu eenmaal op gesteld. Hij trok de panden van zijn jas een beetje naar beneden, schraapte zijn keel, streek zijn snor op en zei:

„Ahem! Broeders en zusters!” Maar dat was een verkeerd begin. Zo begon hij altijd als er weer een hele schaar verdoemde zielen aankwam op de plaats, die we liever niet noemen. En haastig verbeterde hij daarom’

„Ahem! Geachte medewerkers! Het is me een genoegen.” Nou ja dat het hem een genoegen was hen allemaal bij zich te zien zei hij. En dat ze al wisten, wat hii had aan te bieden, want ze hadden het kunnen bekijken en besnuffelen. Hij wilde het niet aanprijzen, want elke waar prees zich zelf wel aan. Hij wilde er alleen maar van zeggen, dat ze het nergens beter en nergens goedkoper kondep krijgen. Het was de bagage van arme zondaars, die het aan de kant gegooid hadden, toen ze op weg waren naar de hemel of naar de plaats, die we niet noemen. „Jullie weten, hoe belust sommige mensen er op zijn. Ze hebben het zelfs liever tweedehands dan nieuw Vooral zulke eerlijkheid en openhar! tigheid. Daar kun je bij jonge mensen altiid