is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 44, 12-11-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor zover de economie van ons land dit mogelijk maakt en de werkgelegenheid niet in gevaar komt. Naast deze overwegingen ziet het NW nog het positieve voordeel van de geleide loonpolitiek in de rechtvaardige verdeling van het nationale inkomen, voor wat het arbeidersaandeel daarin betreft. Niet dat het NW bezwaar heeft tegen verschil in beloning als het ene beroep een grotere prestatie vereist dan het andere of de ene arbeider een grotere prestatie in zijn functie levert dan een andere in een gelijkwaardige functie, want daar voorziet met medewerking van het NW het huidige loonsysteem reeds in, ook al zijn op deze punten verbeteringen mogelijk.

Maar een verschil in beloning, dat uitsluitend zijn oorzaak vindt in de conjunctuurverschillen hetgeen zelfs het gevolg kan zijn van een noodsituatie zoals de bouwnijverheid vindt het NW niet rechtvaardig. Bovendien is het van mening, dat het gevolg van de vrijere loonpolitiek zal zijn, dat bij de huidige conjunctuur een hevige strijd zal ontstaan in de bedrijfstakken, die achterblijven, waardoor een niet te controleren situatie zal ontstaan met de tendens naar een algemene loonsverhoging.

Het NW heeft geen bezwaar tegen verschil tussen de bedrijfstakken inzake de zogenaamde secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals vacantieduur, vacantietoeslag, pensioenfondsen, e.d.

Het NW stond tot voor kort alleen op dit standpunt, omdat ook de werkgevers meer voelden voor een bedrijfstaksgewijze loonvorming. Daar schijnt evenwel verandering in te zijn gekomen. Althans het volgende heeft zich voorgedaan.

Op 17 Februari jl. gaf het NW een verklaring af, waarin werd geëist de vacantierechten te verbeteren, het vraagstuk der werktijdverkorting aan de orde te stellen en een prijsverlaging of loonsverhoging tot stand te brengen ten einde de arbeiders in de welvaartsvermeerdering te doen delen.

Deze punten zijn in de Stichting van de Arbeid besproken. De werkgevers willen als regel de contractlonen laaghouden om bij wijziging der conjunctuur daarop te kunnen terugvallen. De confessionele vakbeweging wilde prijsverlaging in plaats van loonsverhoging of wijziging van de loonpolitiek waardoor bedrijfstaksgewijze loonvorming mogelijk zou zijn.

Om uit de impasse te geraken deed de regering begin Augustus een voorstel met het doel alsnog overeenstemming te verkrijgen. Een verbetering van de vacantierechten zou overeenkomstig het NW-voorstel mogelijk zijn, dat wil zeggen een minimum van 15 dagen vacantie en 4% vacantietoeslag per jaar. Wat de loonsverhoging betrof meende de regering eerst het advies van de Sociaal-Economische Raad te moeten vragen.

Daarna bleek pas duidelijk, dat de meningen in de Stichting van de Arbeid verdeeld waren. Een deel van het bestuur van de Stichting, bestaande uit de algemene en katholieke werkgeversorganisaties en het NW, was van mening, dat de verruiming zich diende te beperken tot de eerder genoemde secundaire arbeidsvoorwaarden. Het andere deel, de KAB, het CNV en de protestants-christelijke werkgevers, was van mening, dat de ruimte ook gebruikt moest kunnen worden voor loonsverhoging. Verbetering berekende men op 3 procent van het jaarloon. Welnu zo redeneerden de confessionelen, dan moest de mogelijkheid gegeven worden per bedrijfstak te bepalen, dat er 3 procent loonsverhoging zou kunnen worden gegeven in plaats van verbetering der vacantierechten.

Zij hebben van de regering hun zin niet gekregen. En dat is maar goed ook, want anders zou langs een achterdeur de bedrijfstaksgewijze loonvorming zijn ingevoerd op het moment waarop het advies van de SER inzake de loonpolitiek nog niet was verschenen.

Maar bij deze gelegenheid is dan toch gebleken, dat een deel der werkgeversorganisaties met het NW de bedrijfstalrsgewijze loonvorming van de hand heeft gewezen. De vraag is wat dat voor de toekomstige loonpolitiek te betekenen heeft. Er is namelijk inmiddels een advies van de SER over de toekomstige loonpolitiek uitgebracht en gepubliceerd.

Uit de reacties daarop zal thans moeten blijken hoe de verhoudingen komen te liggen. De SER is immers voor wat de apparatuur voor de uitvoering van de loonpolitiek betreft niet tot een eenstemmig advies kunnen komen.

Het spreekt wel vanzelf dat daarover het laatste woord nog niet is gezegd. Den Haag

J. VAN DER PLOEG

De gevangenis is uit de tijd

„Indien men mij vroeg: Wat zou men kunnen doen om het gevangenisstelsel te verbeteren, zou ik antwoorden: Niets! Men kan geen g'evangenis verbeteren. Behoudens enkele kleine verbeteringen zonder belang blijft er volstrekt niets anders over dan om ze te slopen.” Dit woord is afkomstig van Peter Kropotkine, de grote Russische anarchist. Het is een van de talloos vele uitspraken van mannen en vrouwen tegen de gevangenis, het instituut waaraan we zo gewend zijn dat we het uit onze maatschappij niet meer weg kunnen denken. Wil men ernaast een uitspraak horen van een Nederlands christen, die tot een der confessionele partijen behoorde, dan citeren we mr. A. de Graaf, een vooraanstaande figuur in de „inwendige zending”. Van hem is dit woord: „Ik ben overtuigd dat ons nageslacht precies zo ijzen zal van de ontzettende wreedheid van onze tegenwoordige straffen, als wij ons ergeren over pijnbanken, ketels met kokende olie, waterdruppels op het voorhoofd tot men krankzinnig was etc. Zij zullen zeggen: „de celstraf was erger, alleen maar zij hebben het niet geweten”.” Mr. De Graaf schreef dat in 1899, dat Is meer dan een halve eeuw geleden. Er zou eén dik boek te vullen zijn alleen al met de protesten van Nederlandse zijde, die sindsdien tegen ons gevangenissysteem zijn geuit, als zovele stemmen van roependen in de woestijn van ambtelijk conservatisme en wanbegrip.

In de geschiedenis van het gevangeniswezen neemt ons land een eervolle plaats, in. Die dankt het niet zozeer aan dit con-

servatisme als wel aan het tuchthuis, dat de vroedschap van Amsterdam in 1595 in het voormalige Klarissenklooster aan de Heiligeweg oprichtte. Terwijl de middeleeuwse gevangenissen geen andere bedoeling hadden dan de gevangenen veilig op te bergen, lieten de Amsterdammers de bevolking van dit tuchthuis, die voor het overgrote deel uit landlopers en bedelaars bestond, werken, om ze op deze wijze aan arbeid te gewennen. Dat Amsterdamse systeem heeft overal navolging gevonden en de gevangenisarbeid is sindsdien een algemeen gehuldigd principe geworden. Maar het leek wel alsof Nederland daarmee al zijn gevangeniskruit op eenmaal verschoten had, want sinds het begin van de negentiende eeuw kwam het, wanneer het de invoering van hervormingen op gevangenisgebied gold, doorgaans achteraan. In de strijd voor gevangenishervorming hebben de Nederlanders zich allerminst onbetuigd gelaten. Integendeel: juristen en sociale werkers van de meest uiteenlopende levensrichting hebben voor en na in alle toonaarden geprotesteerd en wegen aangewezen ter vernieuwing van het hopeloos verouderde stelsel, dat de officiële instanties in ons land nog als het nee plus ultra schenen te beschouwen. Zo liet Den Haag alles bij het oude. Aan de vooravond van de oorlog, in 1939, heeft een der bekendste figuren uit het reclasseringswerk, wijlen E. René van Ouwenaller, een beschouwing over ons gevangeniswezen gepubliceerd, waaraan hij de veelzeggende titel „Onbevredigd” gaf. Terwijl hij op alle gebieden van het maatschappelijk leven een geestelijke opwekking meent te bespeuren, ziet hij in ons strafsysteem alleen maar verstarring. „Wat verwacht de maatschappij toch van haar systeem?” vraagt deze in de dienst vergrijsde sociale werker. „Hoe is het mogelijk dat van die cel een regeneratie kan worden verwacht?” En dan schrijft hij verder: „Ik geloof, dat nu of later een tweede mrs. Beecher Stowe zal opstaan, niet om een tweede Uncle Toms Cabin te schrijven de slavernij is gelukkig af geschaft maar wel om in rustige weldoordachte taal de maatschappij te overtuigen van het nadeel, dat zij zich zelf berokkent, wanneer zij niet zoekt naar andere, betere middelen om de criminaliteit te bestrijden, dan waarover zij thans beschikt.”

Gevangenishervorming schijnt echter pas dan tot stand te kunnen komen, wanneer andere categorieën dan die gewoonlijk de gevangenis bevolken, met dit instituut kennismaken. En dat laatste gebeurt althans op enigszins grote schaal alleen tijdens een oorlog. Zo ontstond na de eerste Wereldoorlog van 1914—TB de grote hervorming in het Belgische gevangenissysteem, nadat vele Belgische intellectuelen door de Duitsers gevangen waren gezet en daardoor de