is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 44, 12-11-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevangenis van binnen hadden leren kennen. Uit de kringen der dienstweigeraars en dergenen die wegens ondertekening van het Dienstweigeraarsmanifest in dezelfde ttid gevangen hadden gezeten, ontstond in 1919 in ons land het comité van actie tegen de bestaande opvattingen omtrent misdaad en straf dat evenwel nooit een grote aanhang heeft gekregen. Maar toen in de tweede Wereldoorlog een groot aantal Nederlanders, die er nooit van gedroomd hadden dat ze ooit een gevangenis van binnen zouden zien er op maar al te pijnlijke wijze mee werden geconfronteerd, begon men ook hier in bredere kring te beseffen dat ons gevangenissysteem zich zelf al lang had overleefd. Op voorstel van de Haarlemse arts dr J Roorda nam kort na de oorlog de Landelilke Vereniging van Ex-politieke Gevangenen bij acclamatie een motie &an, waarin werd uitgesproken dat het Nederlandse gevangeniswezen reorganisatie vereist omdat Lt verouderd, inhumaan en ondoelmatig was. En op 1 Maart 1946 stelde de minister van Justitie een commissie in > voor de verdere uitbouw van het gevangeniswezen” Deze commissie bracht al het laar daarop een rapport uit, waarin een reeks van maatregelen werden voorgesteld om de gevangenisstraf in dienst te stellen van de wederaanpassing aan de maatschaooii door heropvoeding en reclassering. De commissie ging er van uit dat de gevangenisstraf als zodanig moest blijven; zij had trouwens niet de opdracht zich over het al of niet wenselijke van deze straf uit te laten De verdienste van het rapport is, dat het van een slecht systeem toch nog het beste tracht te maken Het systeem is er niet beter door geworden, maar wel is er dank zij deze aanwijzingen sindsdien veel ten goede veranderd in onze gevangenissen,

Dat is al veel, al is het nog lang niet alles wat we zouden wensen. Men zou het een ondermijning kunnen noemen van het gevangenissysteem, maar de afbraak is er nog niet. Maar iets dat daar op gaat lijken vinden we in het verslag over het Nederlandse gevangeniswezen over 1954 uitgebracht door de directeur-generaai mr. E. A. M. Lamers, die daarin het volgende schrijft:

„Het lijkt thans reeds niet meer te gewaagd om te stellen, dat ten aanzien van een belangrijk percentage der delinquenten de criminaliteit op een andere wijze dan door het opleggen van gevangenisstraf kan worden bestreden. Dit percentage zal waarschijnlijk groter blijken te zijn naarmate zich onze kennis van de delinquenten en de niet-institutionele behandelingswijzen verdiept.” %

Het Vrije Volk, dat deze passage overnam in de redactionele rubriek, schreef erboven: „Gevangenissen slopen”. Dat het in die richting gaat, blijkt ook uit een rede die prof. Negley K. Teeters, een vooraanstaand Amerikaans deskundige op criminologisch gebied, in Augustus op het congres der Verenigde Naties voor de bestudering der jeugdcriminaliteit te Genève heeft gehouden. Aan een mededeling daarover in de NRC (van 26 Augustus 11.) ontleen ik dat Teeters daar voor een volledige afschaffing van de gevangenis heeft gepleit. De gevangenis, zei hij, is er absoluut niet in geslaagd de misdaad te keren. „Het grote publiek kan dan wel van mening zijn, dat een misdadiger door de gevangenisstraf dient te worden gestraft, doch de moderne strafrechtwetenschap heeft deze idee al lang verlaten, omdat dit soort bestraffing noch de persoon in kwestie, noch de maatschappij ten goede komt. Men kan nu eenmaal

niet bestraffen en heropvoeden in één en dezelfde atmosfeer.”

Natuurlijk zal men vragen, wat er dan in de plaats van de gevangenis moet komen. Daarop is niet met één woord te antwoorden. De fout van het gevangenisstelsel is juist, dat ze éénzelfde wijze van bestraffing toepast op mensen van de meest uiteenlopende structuur. We geloven met Dostojewski dat de mens die misdaan heeft, recht heeft op straf, maar op z ij n straf, op de straf die hem loutert, die de maatschappelijk gedeclasseerde reclasseert, op een straf die zinvol is, en geen wraak. En wanneer het dan nodig is dat een gederailleerd mens voor een bepaalde tijd uit z ij n maatschappij verwijderd dient te worden, laat men hem dan tenminste in een éindere gemeenschap brengen en niet in een inrichting die met elke gemeenschapsgedachte spot. Om duidelijk te zijn: we bedoelen daarmee de gevangenis, die ook in zijn meest milde en zijn meest moderne vorm toch eerst en vooral een opberginrichting van mensen is en als zodanig ook door zijn tijdelijke bewoners wordt gevoeld.

Nu men blijkens het zo juist aangehaalde verslag ook op het ministerie van Justitie de gevangenisstraf wil beperken, is de vraag gewettigd of daarin geen aanleiding ligt voor een nieuwe studiecommissie, ditmaal niet om het gevangeniswezen uit te bouwen, maar om het op te heffen en door iets anders te vervangen. Misschien mogen we van onze minister van Justitie, die als het moet voortvarend en doortastend kan optreden, de instelling van zo’n nieuwe commissie tegemoet zien? Dan zou Nederland de kans krijgen opnieuw vooraan te staan in de trieste, maar onvermijdelijke strijd tegen de misdaad.

I J. MEERTENS

1855 Sören Aabye I|ierkegaard 1955

Op 11 November 1855 stierf te Kopenhaeen Sören Kierkegaard. Heel de westerse wereld heeft zich opgemaakt, hem te herdenken want de belangstelling voor deze grote been is sinds omstreeks 1900 voortdurend toegenomen, in die mate zelfs dat biina al ziin werken in de moderne talen vertaald zyn. Dit is hoofdzakeiyk mede het gevolg van zyn invloed op de zgn. dialectische theologie van Karl Barth en op de Sderne existentie-filosofie.

Kierkegaards levensontwikkeling kennen we nauwkeurig uit zyn dagboeken van 1835- 1854 De belangrijkste plaats in zijn leven blijkt zyn vadfr ingenomen te hebben van wie hy een ziekeiyke zwaarmoedigheid, het besef van de eeuwige geldigheid van het christendom, een diepgaande dialectiek en een scheppende fantasie erft Voor zijn vader was het kruis het wezeniyke bewys voor de boosheid van de mensen In 1840 verlooft Sören zich met Regine Olsen, die esthetisch zyn ideaal is. Het is ziin vurige wens, met haar gelukkig te zijn in een huweiyk, tegen welke ethische eis hii niet opziet Toch verbreekt hy ?a Lftiental maaien ÏÏ en daarmee samenhangen zijn „doom in het vlees” verhinderen hem te huwen. Hy mSt einSdeÏÏk tÏÏSibevel S hebben hem voor Serreligieuze ope?st Soï tredm als ziTn 7an de dag; de religiositeit door het verdiepte, lydende SSewustSn, het dichteriyké door het

medelijden der liefde met de geliefde. Deze twee aspecten komen in zijn pseudonieme geschriften tot uiting. Met een verbijsterende rykdom aan beelden beschrijft h« allerlei door hemzelf af gelegde stadia, die evenwel daarom pseudoniem verschijnen, omdat zy slechts mogeiykheden van leven zyn, terwyi Kierkegaard zyn lezers ermee 'te verstaan geeft, dat hy het geesteiyk met de verschillende auteurs niet eens is. Hij heeft nameiyk aan zijn eigen existentie herkend de toestand waarin de mens zich bevindt, die geen Zelf heeft. Weliswaar is voor hem dit stadium achter de rug, maar .zyn opdracht is, de mens opmerkzaam te maken op hun situatie.

Er is een raadselachtige zwaarmoedigheid, een angst, waarvan men niet weet, waarom hy de mens overvalt, een bezorgdheid, maar eigenlijk om niets. Vervolgens heeft de mens angst daarvoor, dat hy tot zich zelf, tot zijn eigen existentie komt. Zijn blik is naar buiten gewend. Brengt het leven moeiiykheden, ontgoochelingen, slagen van het noodlot, dan wordt de mens gegrepen door de vertwyfeling. Hy wil een Lder worden; maar dat de hulp daartoe van buiten komen zal. Hij onttrekt zich steeds weer en met alle mogelyke middelen aan het proces der verinnerlyking. De vraag naar het eigen Zelf biyft een soort deur op de achtergrond van de ziel, die echter nooit geopend wordt en waarachter ook niets is. Zo gelukt het hem ten slotte, deze deur, die tot zyn Zelf leidt, te vergeten. Ja, hy vindt deze ongerustheid

om zijn Zelf in de loop der jaren belachelijk. De vertwijfeling aan de mogeiykheid, met zijn Zelf ernst te maken, komt heni nu als een jeugdziekte voor, die een bezadigd man onwaardig is.

evenwel ook mensen, die hiermee niet tevreden zyn. zy vertwyfelen juist aan deze zwakheid die hen niet tot Jch zelf laat komen. Zij verbergen deze vertwyfeling voor de anderen sluiten zich af en volharden in deze geslotenheid, waaruit zy zelden treden, en inchen al, dan hebben zy hiervan onmiddeliijk spyt.

Ten slotte zyn er mensen, die ernst maken met hun innerlijk leven Kierkegaard onderscheidt nu drie stadia op de levensweg: dat van de esthetische van de ethische en van de religieuze mens.

In het esthetische stadium leeft de mens een soort eudalmonistisch leven ofwe zeggen „oppervlakkig ’ op het nivea.u van de onmWdeUykheid, men handelt louter toeva lig de onprettige dingen verwerpend en slechts de name kiezend. Men in dat wat men onmiddeliyk is, en leidt daarom een zelfzuchtig en doelloos leven, zelfs wanneer men de hoogste gei^tingen zoekt laten we zepen de kunst. Er wordt immers geen beslissing genomen, geen ~het behoort” erkend, en plicht wordt als ondergeschikt aan genot beschouwd. De estheticus kiest niet, daarom moet hy vertwyfelen, d.w.z. hy is vertwyfeld, maar moet de vertwijfeling kiezen, en dan vindt hij z zelf in zyn eeuwige waarde. De keuze is niet