is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 47, 03-12-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ den Heer I behoort de aarde l en haar \ volheid. Psalm 24 ; 1 /

en Tanh

ONAFHANKELITK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 3 December 1955 No. 47

Redactie: ds. J.J. Buskesjr. ds. L. H. Ruitenberg

dr.J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48®

Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr.J. G. BomhoflF

ien< per jaarj 5, ; halfjaar ƒ 2,75; kwartaal f 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

Stelen de vogels?

Wanneer kraaien, mussen en spreeuwen de kans schoon zien om binnen te dringen en iets van hun gading weg te kapen uit keuken of huiskamer, komt de neiging op om ze uit te schelden voor lelijke dieven. Wij kunnen deuren en ramen sluiten om ze te weren, maar zullen wij het ze kwalijk nemen? De vogels en de dieren van veld en woud gaan er op uit voor hun leeftocht, zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en zij vallen niet onder menselijke jurisdictie, want zo vervolgt de Heer zelf toch voedt ze uw hemelse Vader.

Uit de tijd vlak na de oorlog herinneren wij ons wel de verhalen van die horden mensen en vooral ook kinderen, die haveloos en hongerig rondzwierven tussen de talrijke ruïnes en er op uit gingen om te schooieren en te roven al wat maar eetbaar was; „lelijke dieven”. In diezelfde tijd gebeurde het, dat wij in Soerabaja op een avond aan tafel zaten, en plotseling voor onze ogen een zwerver op blote voeten de voorgalerij opvloog, de regenjassen van mijn vrouw en mij kostbare stukken in die dagen van algemene textielnood van de kapstok rukte en bliksemsnel weer naar buiten sprong om in het donker te verdwijnen. Lelijke dief! Maar wij hadden een gedekte tafel, een dak boven ons hoofd en een bed om in te slapen. Ook toen wij medio 1952 Soerabaja verlieten, waren er nog 35.000 die onder de brug sliepen. In Djakarta waren dat er een 100.000. Ontelbaar zijn de millioenen in soortgelijke omstandigheden in de landen van Azië en Afrika. Nogmaals: het zijn twee derde van de mensheid, 1.600 millioen medemensen, die chronisch lijden aan ondervoeding en ziekte.

Stelen de vogels? Stelen die mensen, die teruggebracht zijn tot de status der dieren, die niet zaaien en maaien, en zouden ook zij niet komen te ressorteren onder die speciale zorg van de hemelse Vader, welke geldt voor de vogelen des hemels?

Lelijke dieven! Wie zijn dat in waarheid: „the haves” of „the have-nots”? Zijn dat die mensen, die noodgedwongen moeten leven als de vogels des hemels en de dieren des velds, of zijn het toch eigenlijk die één derde van de mensheid, die de voorraadschuren der aarde in hun bezit hebben en nog geen deugdelijke economie en een efficiënt distributiesysteem hebben weten te bewerken ten behoeve van heel het mensdom?

„Gij gaaft het al,” zo zingen wij graag en dankbaar in onze weelde van nooddruft én overvloed; maar menig mens eet brood der smarte, en daar besteden wij te weinig aandacht aan, vergetende dat Hij die alles gaf, dat alles gaf voor allen samen.

Eeuwenlang heeft het Westen geheerst over het Oosten, en over een groot deel van Afrika heerst het nog. Er is in die tijd wel iets gebeurd, zeer zeker; maar aan economische en sociale opheffing der millioenenmassa’s heeft het niet veel om ’t lijf en geeft het in het grote geheel niet veel meer dan het beeld van de kruimkens die vielen van de tafels der heren.

Gij zult niet stelen, luidt het achtste gebod. Wie zijn de overtreders, de vogels en met hen de mensen die als vogels aan de kost moeten komen, of de anderen? Het oude leerboek der reformatorische kerken, de Heidelberger Catechismus, geeft hier een goed inzicht, en hoewel de samenstellers daar misschien niet aan gedacht zullen hebben, zo kunnen wij de toelichting nu

toch ook lezen in de confrontatie met het wereldprobleem der armoede, honger en ellende, en in confrontatie met wat imperialisme en kolonialisme zijn geweest en hebben betekend. Als wij een enkele uitdrukking daarbij onderstrepen, helpt dat misschien om ons te doen blozen en een nieuwe verantwoordelijkheid te leren verstaan.

Dit is de boodschap van de Heidelberger:

Wat verbiedt God In het achtste gebod?

God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, dat de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmee wij het goed van onze naaste denken aan ons te brengen, hetzij met geweld of schijn van recht, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarbij ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting van zijn gaven.

Nu wij het toch over dit oude leerboek hebben, mogen wij ons tevens herinneren, dat heel het onderricht ervan staat onder de titel van de enige troost in leven en sterven. En die enige troost luidt, dat wij het eigendom zijn, met lijf en ziel, van die Heer die alles voor ons in orde gemaakt heeft. Er is geen eigen eigendom meer, nu wij het eigendom zijn („slaaf” zegt Paulus) van Hem die Heer is van alle dingen en van alle mensen: alom wijst God me in and’re mensen broeders aan. In de bekende gelijkenis van de schapen en bokken wijst de Heer ons in Matth. 25 als criterium aan of wij in de armen en ellendigen, onze naasten ook van Azië en Afrika, zijn broeders hebben herkend.

Oegstgeest, Nov. 1955.

H. A. C. H.