is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 49, 17-12-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jeugd, toekomst en socialisme

In het Juli-nummer van „De Kern”, het leidersblad van de AJC, vindt ge de tekst van de redevoering, die drs. J. J. Voogd aan de vooravond van het AJC-congres van dit jaar heeft gehouden over jeugd, toekomst en socialisme.

Het is waarschijnlijk één van de meest moedige speeches, die de laatste jaren door een socialist zijn uitgesproken. Moedig, omdat Voogd nergens de platgetreden paden van de slogan opgaat; omdat hij in een vlijmscherpe analyse punt na punt neerzet wat ons in deze wereld beangstigt en benauwt. Moedig ook, zou ik willen schrijven, omdat Voogd duidelijk uitspreekt, dat het socialisme aan de oplossing van de door hem geschetste vraagstukken (nog) niet toe is.

Maar op dit laatste punt „faalt” Voogd. Het kan natuurlijk zijn, dat wij hier van mening verschillen; dat Voogd vindt, dat hij de weg naar de gewenste oplossingen heeft aangegeven; dat men bij een bespreking van de vragen van „jeugd, toekomst en socialisme” kan volstaan met citeren van „De Ceder” van Han Hoekstra, waarin kortweg wordt gezegd: Het is er! Ge schijnt het niet te willen zien! Dat ligt dan aan u, want ik zie het. Ik geloof! Ik heb mijn idealen kunnen bewaren!

Voogd begint zijn betoog met erop te wijzen, dat hij sprekend over het hem aangewezen onderwerp een drietal vragen heeft te beantwoorden. 1. Wat is de situatie, waarin de jongeren leven? 2. Welke is de problematiek van die situatie? 3. Heeft het socialisme op die problemen qen antwoord te bieden?

Fijnere onderscheiding nodig Deze vragen gesteld hebbende, zegt Voogd, dat het omdat de zaken in deze wereld zo ingewikkeld geworden zijn niet geoorloofd is om te spreken van „DE” situatie en van „DE” jongeren. Hij meent, dat zelfs niet meer gesproken zou kunnen worden van „HET” socialisme. „Wie de problemen wezenlijk wil benaderen zal veel fijner moeten onderscheiden; zal veel meer nuancering in de begrippen moeten aanbrengen.”

Ongekende vooruitgang Ter nadere onderscheiding van het begrip „de situatie” schetst Voogd dan hoe wezenlijk verschillende karakteristiek men van de huidige wereld kan geven. „Als iemand zou opstaan en betogen, dat wij leven in een wereld van ongekende vooruitgang, zou hij het gelijk stellig aan zijn zijde hebben.” Maar... „De situatie kan ook zijn een wereld, die van dreiging tot dreiging gaat; een land, dat de idealen, waarmede het uit de oorlog kwam, verloor en waarin de bevolkingsgroepen weer naast elkaar in plaats van met elkaar gaan leven; een stad, waarin de enkele mens vereenzaamt, een dorp, dat door de industrie als een vreemd lichaam werd opengebroken. De situatie kan ook zijn een aarde, waarop nog altijd drievijfde van de mensheid met honger dag-aan-dag rondloopt; een arbeidsproces, dat steeds minder de enkele mens gelegenheid biedt zijn scheppende kracht te ontplooien; een leven, waarin

kortsluiting is tussen kunst en volk.”

Duidelijk tekent de inleider hierna de jongeren van deze tijd: „Het is het type van de jonge mens, waarvan Bednêirik zegt, dat op de stempelkantoren van de standenstaat, op de binnenplaatsen van de kazernes, in de loopgraven van de tweede wereldoorlog en in de krijgsgevangenenkampen zijn levensvorm werd murw gebeukt en vernietigd.”

„Een type, dat buiten de deur van de wereld staat, een „generatie zonder thuiskomst”, die zich de regels van Greshoff eigen zou kunnen maken: wij worden immers, nergens meer verwacht en gaan verloren tussen dag en nacht.”

Gevaar voor de democratie Voogd waarschuwt niet te generaliseren. Hij wilde immers met opzet niet spreken over „DE” jongeren. Maar het zou onjuist zijn het bestaan van het door hem geschetste type jongeren te negeren. Hun onverschilligheid; hun gebrek aan maatschappelijke interesse; de afzijdigheid; het cynisme vormen een gevaar voor de democratie.

Deze jeugd is niet van nature progressief, maar altijd bereid een nieuw begin te steunen. „Zij kan nog waarheen zij wil, en zij wil daarheen waar een uitzicht, een groots idee, een grote conceptie haar wil voeren.” Voogd citeert in zijn rede Marsman. Ook op de hiervoor getekende situatie zou een citaat van Marsman kunnen slaan uit het gedicht, waar hij zegt, dat de tijden zwart zijn en wij eeuwen en eeuwen te laat geboren:

„Laat dan een ster; een onaanzienlijk teken schitteren boven de rampzaligheid en opnieuw geloven wij in streken voorbij ’t moeras van deze lage tijd.”

Zal het socialisme deze ster, deze grootse idee kunnen zijn? Voogd probeert in het volgende gedeelte van zijn betoog de inhoud van het begrip socialisme te benaderen. Hij stelt dan nogal onvoldoende naar mijn smaak dat het bij het socialisme vandaag om de mens gaat. De mens als zodanig is in het geding geraakt. Is dit nu niet een typisch voorbeeld van de onmacht, waarin wij verkeren? Het is het socialisme altijd om de mens gegaan; heel de beschavingsgeschiedenis door was de mens in het geding. Natuurlijk was de strijd van honderd van vijftig jaar geleden nog meer de strijd om de verheffing van de arbeidersklasse als groep en daardoor gemakkelijker te omschrijven; bezielender te leiden, maar we zouden de socialistische beweging onrecht doen door te stellen, dat in die verleden strijd het niet om het geluk en het recht van de enkele mens is gegaan.

Ik erken dus de juistheid van Voogds stelling, maar de vraag rijst: moet hiervan nu niet meer gezegd worden? En die vraag blijf ik ook in het vervolg van deze uitstekende rede stellen. Overal constateer ik het onvolledige; het nauwelijks verwerkte; het eigenlijk geen raad wetende.

Ook als Voogd zegt, dat een nieuwe oriëntering nodig is; een nieuwe conceptie, dan had ik dat graag nader aangeduid gezien; meer willen weten, dan dat het in die nieuwe conceptie weer om de mens zal gaan. Nogmaals, ik geloof dat en ik hecht er waarde aan, maar sceptisch als ik sta t.o.v. de toekomst van het socialisme (nochtans verlangende, dat het socialisme een oplossing voor vele, vele problemen zou kunnen zijn) verwacht ik van hen, die wel geloven die niet door dat brandende scepticisme getroffen zijn dat zij mijn pad zullen verlichten en mij niet het bos in zullen sturen met dingen, die ik zelf ook zou kunnen zeggen.

Ik ben één dergenen, die de ceder in de tuin niet zien. Ik zie alleen het beeld van een vaak onmachtig gouvernementalisme. Ik zie alleen het pas op de plaats maken; het coquetteren met het reeds verworvene op sociaal gebied.

Ik erken graag, dat de socialistische analyse van de maatschappij van vandaag vaak scherp is en juist. Ik erken graag, dat we voor vele detailproblemen dikwijls passende en uitstekende oplossingen bij de hand hebben; ik erken het intellect en de toewijding van velen ook op de hoogste plaatsen. Ik vrees echter de vaagheid en de algemeenheid, die over hen komt, zodra zij spreken over het socialistische ideaal. In deze wereld met zijn duizelingwekkende mogelijkheden, die echter millioenen gevaren in zich bergen, hebben we niet voldoende aan het beeld van de droomceder in de droomtuin. Gevraagd wordt een heldere, concrete uiteenzetting; een duidelijk maatschappijbeeld; een onaanzienlijk teken desnoods.

Zolang dat niet wordt gegeven kan ik niij levendig voorstellen, dat vele jongeren niet geloven, dat het socialisme die grootse idee is en dat zij zich noodgedwongen de regels van Greshoff eigen maken: wij worden immers nergens meer verwacht en gaan verloren tussen dag en nacht.

Maar ik heb al eerder (ook in dit blad) voor een luchtiger aanpak gepleit. Ik geloof niet in de zware woorden van ondergang tussen dag en nacht. Ik zie de afkqer van politiek bij vele jongeren; ik zie hun afzijdigheid en ik weet, dat het een vraagstuk is om ernst mee te maken. Zou ik een speech met een citaat van Greshoff moeten afsluiten, dan zou ik kiezen voor:

ik ben precies als Pietersen en Meyer een doodgewone, vaderlandse vrijer en ik geef je net als zij het doen zo nu en dan wat rozen en een zoen.

Een levenshouding, die niet minder onverschillig t.o.v. de vele vragen van vandaag is; een way of life, die niet minder vreemd is aan de politiek; een instelling, die onze bezorgdheid evenmin kan wegnemen. Maar bij alle opgeschroefde idealisme, zou deze nuchterheid het misschien beter doen.

Voogd zegt ergens in zijn speech: „Wij zijn niet geneigd om mensen af te schrijven of op te geven.” Ik weet dat nog niet zo zeker. Ik vraag me af of vele socialisten het type jeugd, dat Voogd schetste niet allang hebben „afgeschreven” of er nog alleen t.b.v. de propaganda rekening mee houden. Voogd zal mij niet kwalijk nemen, dat ik deze kanttekening bij zijn speech plaatste. Mijn waardering voor zijn oprechtheid en zijn moed is er niet minder om. JAN STEVENS