is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 49, 17-12-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jongeren en hun ouders

Op de dag van mijn bevestiging in de gemeente, hebben ze elkaar leren kennen. Nou nee, dat is natuurlijk niet waar in een dorp. Ze hadden al lang en lang voor die tijd samen gespeeld en waren samen op dezelfde school, ja ook in dezelfde klas geweest. Beter dus: op die dag kregen ze vaste verkering. Daarna zijn ze samen naar de catechisatie gekomen. Samen volgden ze de belijdeniscatechisatie en zijn samen lidmaat geworden. Toen kwam de officiële verloving en ten slotte heb ik hun huwelijk bevestigd en ingezegend. Tot nu toe zijn het trouwe kerkgangers en tijdens wat je zoudt kunnen noemen de huwelijkscatechisatie, ontbraken ze nooit een keer. En al die jaren was het zo met deze twee, dat ik wist, waar ik aan toe was. Om vroom en stichtelijk gepraat lachten ze me uit. Was ik soms niet nuchter genoeg inzake de mensen en vooral de jongeren van tegenwoordig, zij smeten de feiten met een smak op tafel en wurmden bij de andere catechisanten wel zoveel los, dat mijn tafeltje dreigde te bezwijken onder de last. Mooie woorden en hoogdravende idealen gaven ze geen cent voor en ik had de centrale geloofsgegevens van de Bijbel maar zo naar voren te brengen dat er geen snippertje pathetische franje overbleef. Het gevolg was, dat deze catechisanten van een nuchtere, zakelijke bewogenheid zo vol raakten, dat ik met grote verademing de schaar in de franje zette. Niet altijd even gemakkelijk, maar toch met een gevoel van opluchting. Ook al werden de bezwaren van deze operatie wel duidelijk. Aan de ene kant een trouw groepje catechisanten, ook in de voor hun gevoel naar de vorm hopeloze kerkdiensten, aan de andere kant zoveel ontsteltenis bij vooral oudere gemeenteleden, dat ik, zonder succes overigens, moest gaan hollen en draven om de gemeente wat bij elkaar te houden. Maar goed: de jeugd heeft de toekomst en wie de toekomst heeft, heeft de jeugd. Daarin vond ik wat troost voor mijn succesloos gejakker. Dat voor het overige toch ook zeer leerzaam was. Want het bracht mij bij dat de nuchtere, zakelijke bewogenheid van die jongeren eerlijk en goed was, maar dat ik er zeer voor moest waken met een soort wraakzuchtig genoegen de ouderen alle af geknipte franje in de maag te splitsen. Het is ten slotte de toon die de muziek maakt. En was het nu maar zo, dat dit zoiets was als de gulden middenweg tussen de (weglopende) ouderen en de (nog blijvende) jongeren. Dan had ik nu voor u een soort juichend slot aan dit geheel geschreven en ten minste de jonggehuwden als paarlen voor u kunnen tentoonstellen. De waarheid is echter, dat deze paarlende jongeren als laatsten der Mohikanen in het gemeenteleven rondlopen de andere zijn gesneuveld, uitgegleden over de te kort gekookte eieren, die ik hun toegooide, en hebben de nek gebroken en er hard over denken, om ondanks die vaste verkering en

mijn bevestiging de gemeente maar te laten voor wat zij is: slapers, profiteurs, hemelzwijmelaars en gewoontedieren. Waarmee dan de zaak rond is. Want zij zeggen het fel, maar bedoelen dat zij niet op kunnen tegen de onechtheid. En de verdwenen aanhangers der vrijblijvende onechtheid in het geloof sidderen al bij de gedachte dat ze weer terug zouden moeten komen. Onder deze omstandigheden heb ik me gehaast een soort gesprekkring bijeen te roepen. Bijbelgedeelte, tekst en preek voor de komende Zondag worden daar behandeld. Gelukkig is de levende kern der gemeente gekomen en lukt het een beetje samen sprekende en luisterende, ouderen en jongeren tot gemeenschappelijk verstaan en

wederzijds begrip te brengen. Ongerust evenwel maak ik me over mijn jonggehuwden. Zij waren toch, nuchter bewogen, de woordvoerders der andere jongeren, die er ook weer zijn. Maar nu zwijgen ze vrijwel. En ik meen te begrijpen, dat dit het gevolg is van het feit, dat hun beider ouders ook aanwezig zijn. In deze mening ben ik bovendien gesterkt door een der vaders. Hij beglimlachte zijn zoon met welwillende toegeeflijkheid en doet zeer ernstig over zaken, die zijn zoon in deze gesprekkring niet heeft aangeroerd. Als dit geen vergissing is van mijn kant, dan moet ik eigenlijk die tegenstelling tussen echtheid en franje, tussen bewogenheid en oppervlakkige ontroering, laten schieten. Want dan is de zaak voor alles deze, dat wij, in welke gemeenschap dan ook, allereerst elkaar in onze overtuiging en visie volkomen ernstig hebben te nemen en als gelijkwaardigen moeten tegemoettreden. Wat nu ook weer geen nieuwigheid is of centrale openbaring. Tenzij dan voor een gemeente van ouderen en ouders, die hun jongeren en kinderen bekijken als wezens met een duidelijke maar vanzelfsprekende afwijking. Daarbij bovendien over het hoofd ziende, dat de jongeren misschien wel meer recht en reden hebben de ouderen te bekijken als wezens, met niet-meergenezende afwijkingen in het geloofsleven.

SJ. BIJLEVELD

BRIEFWISSELING

Geachte redactie.

Met enige schroom kom ik voor de dag met een bijdrage aan het gesprek, dat volgens een dankbare Buskes door Banning weer op gang is gebracht. Een bijdrage die echter vooral in de vragende vorm zal staan, omdat ik mij niet competent acht met stellingen naar voren te komen.

Als ik de beide groepen waar het om gaat ter onderscheiding „anti-militaristen” en „militaristen” mag noemen, dan rijst eerst de vraag: „Wat bindt deze twee groepen?” Het is geloof ik niet te boud gesproken als ik aanneem dat de binding het gemeenschappelijk ideaal van een betere wereld is, zoals socialisten zich die voorstellen. De weg naar dat ideaal wordt gezamenlijk af gelegd tot op het punt waar men in conflict komt met een gewapende macht, die zich stelt tussen ons en ons ideaal.

Dan splitst de groep zich in tweeën, waarvan de ene groep, ik zou moeten zeggen bereid is voor ’t ideaal te vechten en de andere groep bereid is voor ’t ideaal te lijden. Dit lijkt nu echter een beetje rigoureus gezegd en ik druk het liever zo uit: de ene groep meent dat ze voor ’t ideaal moet vechten en de andere groep hoopt geestkracht genoeg op te kunnen brengen om voor het ideaal te lijden. Volgende vraag die ik stel: is een ideaal nog een ideaal, wanneer men bereid is ervoor te vechten (en achter dit woord vechten moeten we ons de hele moderne oorlogsmachinerie denken)?

Of is een ideaal alleen een ideaal wanneer men bereid is ervoor te lijden? Als oorlogsvrijwilliger ben ik van 1946— 1949 in Indonesië in actieve dienst geweest

en heb gedurende patrouilletochten meer dan.eens een „vijand” neergeschoten. Ik heb achteraf met ongelovige verbazing vastgesteld dat dat met niet meer emotie gepaard ging dan het schieten op wilde zwijnen voor onze voorraad vers vlees. Dit waren slechts enkele „vijanden” neergelegd met een semi-automatisch geweer. Hoe moet de piloot van de atoombommenwerper zich dan voelen. Zijn zij, die geloven In „vrede door kracht” bereid dat geweer ter hand te nemen of die bommenwerper te besturen? Zijn we echt in staat ons voor te stellen dat we dit doen voor een ideaal? Het ideaal van een betere wereld?

Dus niet vechten? Lijden? Maar dat vraagt een geestkracht die het merendeel van ons nog niet op kan brengen. Dat vraagt van ons de overtuiging dat het geweldloze goede het op de lange duur altijd zal winnen van het gewapende slechte. Kunnen we die lange duur afwachten, ook als dat langer is dan ons leven? Nog een grote vraag dus: Hoe ontwikkelen we in ieder individu die grote geestkracht, die niet-religieuze mensen tot de overtuiging brengt dat het grijpen naar de wapens de makkelijkste weg is, die echter nimmer een oplossing, laat staan wereldvrede brengt? Het is moeilijker een tegenstander te overtuigen dan hem te overwinnen.

U ziet vele vragen en weinig antwoorden. Maar hoe nodig is het dat ieder individueel deze dingen consequent door tracht te denken, alvorens aan politiek te gaan doen. Welke vergezichten openen zich wanneer wij er inderdaad in slagen gezamenlijk die geestkracht op te brengen! H. DE JONG