is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 49, 17-12-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hymne aan de broederschap der mensen

Ik heb een boek gekregen „The Family of Man” 503 foto’s uit 68 landen van de hele wereld, bijeengebracht voor een grootse tentoonstelling van „The Museum of Modern Art” in New York door Edward Steichen en zijn assistent Wayne Miller. En terwijl ik keek naar die reeksen aangrijpende foto’s, luisterde ik naar het 15de Schubert kwartet, uitgevoerd op vier door Stradivarius gemaakte violen en cello. Het is het kwartet in C majeur en weergaloos prachtig uitgevoerd op deze sublieme instrumenten. Wat is er in deze muziek dat zij zich in mij geheel samenweefde met de indrukken die deze foto’s op mij maakten? Is het de afwisseling van bewogenheid en grootsheid met de echt Schubertiaanse liefelijke romantiek? Ik weet het niet, maar er is voor mijn gevoel grote overeenkomst tussen beide. De foto’s, die alle aspecten van het menselijk leven belichten zijn ongelofelijk knap gekozen drie jaar lang! uit duizenden foto’s, door vaklieden en amateurs over de gehele wereld gemaakt. De prachtige door Carl Sandburg geschreven proloog culmineert in deze regelen:

„Er is maar één man op de wereld en zijn naam is: Alle Mannen Er is maar één vrouw op de wereld en haar naam is: Alle Vrouwen Er is maar één kind op de wereld en dat kind zijn naam is: Alle Kinderen.”

De eerste foto’s zijn van het licht dat door de duisternis breekt en de glinsterende wateren verzilvert: „En God sprak: er zij licht! (Genesis 1 : 3) en dan volgen prachtige foto’s van jonge verliefde mensen, de gezichten bewogen door tederheid, hartstocht de meisjes soms in roerende schuchterheid Papoea’s, Negers, Amerikanen, Fransen allen, hoe ook van ras of kleur of nationaliteit, gegrepen in de ban van die allesbeheersende gevoelens. Huwelijksplechtigheden ziet men in Japan, India, Tsjechoslowakije, Zweden en de ernst van dit gebeuren staat te lezen op al die zo verschillende gezichten. Van ontroerende liefelijkheid zijn de foto’s van aanstaande moeders, sommigen, vlak vóór die poort die én tot het leven én tot de dood kan voeren met een verre blik in de weg-starende ogen. We zien ook de dokter die op het punt staat de navelstreng van het juist-geboren jongetje door te snijden: de scheiding van het moederlichaam, en daarop volgen bijzonder lieve foto’s van moeders met kinderen in hun armen of aan de borst, overal weer met die uitdrukking van haast verwonderde blijdschap over zoveel liefs en moois. De foto’s van vaders met kinderen zijn niets minder hartverwarmend. Bijzonder tragisch is daarbij de soldaat die van zijn lieve zcKintje, dat droevig huilt, moet scheiden omdat hij

andere vaders van andere zoontjes moet gaan doden... Foto’s van spel en vrolijkheid van allerlei kinderen volgen, dan worden de spelen anders en aandachtiger, de gevoelens der kinderen heviger drift en verbetenheid zien we in die kinderlijke

gezichten daarna verlaten, verwaarloosde kinderen, eenzaam en bang, hartbrekend angstig en alleen. Familiefoto’s in zeer verschillende milieu’s, werk: landarbeid, handenarbeid, vrouwenarbeid • afgewisseld door foto’s van woeste, majestueuze landschappen, en ineens als een „mene tekel”! een groot gebouw, een fagade met verlichte ramen en ernaast laboratoria en vergaderkamers waar atoomenergie wordt geproduceerd en bediscussieerd.

Een grote plaat: een optocht van statig lopende silhouetten van Negers en Negerinnen, bloemen en manden op het hoofd dragend opent een reeks blij der foto’s van bloemen en koren en marktscènes in Peru, Bali, de Ivoorkust, India en maaltijden, alleen of in gezelschap. Dans en muziek ziet men in een volgende reeks foto’s, rondedansjes van kleine kinderen en rituele dansen van bewoners van Nieuw-Mexico en Columbië. Foto’s van grote gezelschappen luisterend of kijkend naar concerten en voorstellingen, zingend in boerenherbergen of aan tafel in een luxueus restaurant geven een sterke indruk van de gelaatsuitdrukking van al deze mensen en heel bijzonder is ook de vergadering van aandachtig naar hun leider luisterende bewoners van Bechuanaland vlak naast de opname van een collegezaal met even zo aandachtig luisterende Tsjechoslowaakse mannelijke en vrouwelijke studenten. Les geven en les krijgen, het eerste op het bord schrijven van een klein joch, vlak naast Albert Einstein in zijn studeerkamer, een jongen met de schooltas op de rug die tussen de ruïnes van een Duitse stad zijn weg naar school volgt, die alle spreken van * het menselijk intellect dat overal is en van alle tijden. Als de tegenkant van de liefdesidyllen in het begin zien wij nu moeilijke momenten tussen man en vrouw: een boos gezicht, een wanhopige houding, een weglopen van twee mensen, ieder naar een andere kant en daarna weer vrolijker taferelen van samen rusten en genieten van de natuur. Nu komen de grootouders in het beeld en vele andere oude mensen in gezellige en vrolijke tafereeltjes. Maar dan volgen smart en ziekte en dood met aangrijpende smartelijke gezichten bij de plechtige begrafenissen naar het ritueel van verschillende landen. Maar het leven moet voortgaan en medeleven en medelijden zien wij uitgedrukt op de gezichten van die nu volgen:

„Want erbarmen heeft een menselijk hart Meelij een menslijk aangezicht”

(William Blake)

De ontrechten en verworpenen der aarde, bitter en opstandig, gekrenkt en beledigd en ook de uitgehongerden en verwaarloosden doen ons het hart ineenkrimpen en de vuisten ballen zijn wij niet broeders en moet dit zó zijn? De vage contouren van het edele gelaat van een dichter, een dromer, een idealist openen een nieuwe cyclus waar wij een Neger-

dominee zien, prekende en drie zon-aanbiddende gestalten in Kasjmir, de aanbiddelijke glans in kinderogen bij een Kerstboom, het interieur van een gotische kerk in Engeland, een bewoner van Korea verzonken in gebed. Dan een reeks van stil aandachtige, rustig gelukkige mensen en kinderen en dans en spel en vrolijkheid. Tot we opeens weer opschrikken door een gruwelijke foto van Joden die uit het ghetto in Warschau door Duitse soldaten worden weggevoerd en angstige vertwijfelde Koreaanse vrouwen, rukkend aan het prikkeldraad, waarachter zij staan. Ook straatoproer en rassendiscriminatie en een vrouw rechtop staande in de beklaagdenbank.

„Vul de plaatsen der rechters met goede mannen, maar niet zó absoluut goed dat zij vergeten wat menselijke zwakheid is” (Sir Thomas Hoon Talfourd)

Dan zien we bijeenkomsten waar naar bezielde sprekers aandachtig wordt geluisterd en op velerlei plaatsen in de wereld de gang naar de stembus.

Ontzettende foto’s van verminkte en vernielde levens van volwassenen en kinderen door H-bommen en oorlogsellende beslaan een hele pagina en daarna zien we een aantal afbeeldingen van oude echtparen met als onderschrift: „Wij tweeën zijn een menigte”.

Een reusachtige foto van een zitting van de Verenigde Naties met een bijschrift uit het Handvest sluit dit deel af, waarna een prachtige bloemenfoto de laatste opname van talloze kinderen opent. Het boek eindigt met een foto van 2 kleine kleuters hand in hand op een zonnig bospad:

„Een wereld moet geboren worden onder jullie voetstappen” St. John Perse terwijl een schitterende foto van kolkende bruisende golven onder sprankelend zonlicht dit imposante, ontroerende boek besluit.

De tentoonstelling van al deze foto’s die reeds in New York is gehouden, reist nu de wereld door en zal in afzienbare tijd ook in ons land komen. Het is in zijn veelzijdigheid en bewogenheid een subliem kunstwerk geworden en een hymne aan de broederschap der mensen.

M. S. F. WIBAUT—RASTERT

LEESTAFELNIEUWS

Dr. P. B. A. Melief. De strijd om de armenzorg in Nederland 1795—1854. Groningen, Djakarta, J. B. Wolters, 1955 (IV, 240 blzn.; Ingen. ƒ8,90).

Deze oorspronkelijke als dissertatie verschenen studie behandelt een pijnlijk onderwerp uit onze sociale en kerkelijke geschiedenis. Vóór 1795 was de armenzorg vooral in handen van de gereformeerde kerk, die deze aan haar diakenen opdroeg. De Nationale Vergadering van 1796 oordeelde dat de staat hier een eigen, onvervreemdbare taak te vervullen had, en de wet op het armbestuur, die in 1800 in werking trad, droeg de eigenlijke armenzorg dan ook op aan de departementale en plaatselijke besturen. De kerken mochten wanneer ze dat wilden hun arme lidmaten blijven bedelen en in dat geval hun armengoederen in eigen beheer houden, maar onder controle van de overheid. De kerkelijke armenkassen werden voortaan niet langer beschouwd als het eigendom van kerkelijke (arm-)besturen, maar als „goed der armen”. Natuurlijk kwamen daaruit allerlei moeilijkheden voort, vooral ook omdat de kerken de inmenging van overheidswege niet accepteerden. Er zijn weinig onderwerpen in de geschiedenis van onze 19de eeuw, waarover zoveel geschreven is als over deze hachelijke kwestie, die een voorlopig eind vond in de armenwet van 1854. Deze was een compromis tussen het standpunt van de kerk en dat van de staat en als zodanig onbevredigend, maar dit behoort niet meer tot het terrein waarover dr. Meiief ons in zijn proefsclirift voorlichting geeft. Het is prettig dat eindelijk eens