is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 1, 07-01-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mag ik mij even aan u voorstellen?

U kent dat wel: wanneer men met onbekenden samenkomt op b.v. een conferentie, dan gaat men in een kring zitten, en noemt ieder der aanwezigen zijn of haar naam, beroep en korte zakelijke gegevens uit zijn of haar leven. Men weet dan ten minste iets... Zo ongeveer, maar dan op papier, gaan medewerkers en redactie van dit weekblad zich voorstellen aan een groep, aan wie gedurende enkele weken een nummer „ter kennismaking” wordt toegezonden. Mag ik u dan even voorstellen: de mensen, die Tijd en Taak volschrijven? een stelletje rustige bezetenen.

Rustig: niet alleen omdat zij een eerzaam beroep uitoefenen leraar, dominee, uitgever, professor —, ook niet alleen, omdat zij eerst denken voor zij gaan schrijven, en hun artikelen dus helemaal niet sensationeel of feuilleton-ach'tig aandoen, maar vooral, omdat zij precies zijn als u: zij hebben belangstelling voor politiek en cultuur, voor opvoeding en kerk, voor literatuur en schilderkunst. Let u maar op: u vindt in elk nummer een gedicht en een reproduktie het gedicht moet u rustig lezen, de plaat rustig bekijken, de andere artikelen

rustig tot u nemen en er zich een beetje bij inspannen. U vindt dus geen „koppen”, geen stunts, geen sensatieverhalen, geen legpuzzels, geen feuilletons enz. Wij zijn rustige burgers.

Bij een discussie op een conferentie.

Maar: een tikje bezeten. Bezeten nl. van één idee: dat wij samen, ter wille van de waarachtige menselijkheid in ons volk, nodig hebben socialisme én een levenshouding, gevoed uit het Evangelie. De pioniers, die ruim een halve eeuw geleden zo oud is dit blad dus al, hoe zou het dan niet rustig en zelfs waardig zijn! de Blijde Wereld uitgaven, noemden zich christensocialisten, en vochten naar twee kanten: in de socialistische beweging voor het goed recht van een godsdienstige overtuiging, in de kerk voor het goed recht van de socialistische beweging en idee. De verhoudingen liggen nu anders dat spreekt vanzelf. Maar het grondmotief is gebleven: ter wille van een verdiept en uitgegroeid mens-zijn voor allen in onze maatschappij hebben wij nodig een socialistische ordening en de bezieling uit het Evangelie.

Als u zegt: daarvoor interesseer ik mij niet, dan is onze kennismaking een teleur-

stelling, en groeten wij elkaar beleefd. Onze bezetenheid zal er alleen wat feller van worden.

Als u zegt: in die richting zoek en ploeter ik ook, dan wordt onze kennismaking een vreugde, en verwelkomen wij u héél hartelijk in onze kring.

Als u zegt: ik weet het nog niet precies, er zit misschien wat in, dan vragen wij u met aandrang: lees kritisch, laat u niets aanpraten, en waag het eens een half jaar op proef.

. Daartoe nodigt u met hartelijke aandrang uit één der medewerkers van nu, redacteur van vroeger, de man die zich voorstelt als: oud-onderwijzer, emerituspredikant, professor en gepensioneerde, lid van de vroegere SDAP en huidige PvdA en van de Ned. Herv. Kerk, W. BANNING

Geleide of gecoördineerde loonpolitiek

„Welke behoren de grondslagen en doelstellingen van de toekomstige materiële loonpolitiek te zijn? Moet de huidige gebondenheid, al of niet met enige modificaties, gehandhaafd worden en zo neen, welke mate van vrijheid acht de raad voor het bedrijfsleven, i.c. de ondernemingen en de bedrijf stuksgewijze organen, bij normale vraag- en aanbodverhoudingen op de arbeidsmarkt, gewenst en maximaal toelaatbaar?”, aldus vangt de minister van Sociale Zaken aan met een serie vragen in januari 1955, schriftelijk gesteld aan de Sociaal-Economische Raad (SER).

Uit een aantal vraagpunten in dit schrijven van de minister blijkt zijn bezorgdheid voor het achterblijven van de lonen van bepaalde groepen van werknemers en ambtenaren, ingeval een vrijere loonpolitiek wordt ingevoerd. Tijdens het loondebat in de Tweede Kamer heeft de minister tevens zijn bezorgdheid getoond over de uitvoering van het loonbeleid door organen van het bedrijfsleven. De „zwarte lonen” wijzen er immers op, dat er een zeker gebrek aan discipline bestaat bij werkgevers en werknemers.

Welke bezwaren bestaan er tegen het huidige systeem van loonvorming? De tegenstanders van de geleide loonpolitiek spreken in de regel over de starheid van het loonsysteem, zonder erbij te vermelden, dat alleen de basisionen voor alle bedrijfstakken aan dezelfde richtlijnen zijn gebonden.

Ook thans is een zekere differentiatie in de lonen tussen de diverse bedrijfstakken mogelijk. Invoering werkclassificatie, toeslagen op het functieloon als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, toeslag voor ploegendienst, prestatiebeloning en winstuitkering veroorzaken ook thans loonverschillen met goedkeuring van het College van Rijksbemiddelaars.

De uitdrukking „geleide loonpolitiek” is evenwel de laatste tijd in diskrediet geraakt door de politieke propaganda van de confessionele partijen en vakcentrales. Geleide loonpolitiek heeft nu eenmaal de naam „socialistisch” te zijn, door de confessionelen vertaald: dus niet „christelijk” en dus fout, hoogstens bruikbaar tijdens een noodsituatie.

Deze situatie is er na de oorlog wel geweest, maar is nu reeds lang voorbij en daarom moeten wij naar normale verhoudingen terug. Algemeen wordt daar dan direct aan toegevoegd, dat we niet weer naar de vóór-oorlogse verhoudingen terug moeten.

Op het onlangs gehouden looncongres van de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) is betoogd, dat deze vakcentrale reeds in 1952 vastgesteld heeft, dat het zwaartepunt van de loonvorming wederom moet komen te liggen bij de organen van het bedrijfsleven, ten einde de arbeiders het hun toekomende deel van het nationaal inkomen te kunnen verschaffen. Daarbij dient het, zo betoogde • de KAB

destijds, de taak van de SER zijn, te waken tegen sociaal ongewenste en economisch niet noodzakelijke loonverschillen in de diverse bedrijfstakken. Het subsidiariteitsbeginsel was slechts aanleiding voor de KAB een wijziging in de Ibonpolitiek te bepleiten.

Thans is op eerder genoemd looncongres evenwel betoogd, dat de loonvorming pas dan rechtvaardig kan worden genoemd, als het mogelijk is hierbij rekening te houden met de economische positie van onderneming en bedrijfstak. In plaats van te waken om niet noodzakelijke loonverschillen te voorkomen, gaat het er nu om bewust te streven naar de mogelijkheid om loonverschillen tot stand te brengen. Als argument daarvoor wordt gesteld, dat de praktijk van de huidige loonpolitiek heeft uitgewezen, dat het stringent toepassen van richtlijnen niet meer te handhaven is, met andere woorden: er zijn zo velen die de wet overtreden, dat wetswijziging noodzakelijk wordt.

Laten wij er mee akkoord gaan, dat dit geen socialistisch standpunt is, waarmee dan niet gezegd wil zijn dat het dus christelijk is.

De SER heeft aan het verzoek van de nfinister van Sociale Zaken voldaan en advies uitgebracht inzake het toekomstige systeem van loonvorming. Dit advies is onlangs gepubliceerd (publikatie no. 4 van de SER-1955). Het advies is overeenkomstig het verzoek van de mi-