is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 5, 04-02-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verzuiling t en geestelijke tirannie

Het moet maar steeds weer gezegd worden, tot vervelends toe: als wij verzuiling tegengaan, willen wij daar geen geestelijke tirannie voor in de plaats stellen.

Wanneer men niet getrouwelijk de antirevolutionaire bladen leest, zou men nooit op de gedachte komen, dat dit het alternatief is. Ik zou er ook geen aandacht aan geschonken hebben, als ik niet in het vernieuwde a.r. weekblad ‘Nederlandse Gedachten’ van 21 januari het artikel over ‘Verzuiling’ had gelezen.

Ziehier, kort samengevat, de redenering.

De christelijke organisaties hebben moeten doorzetten tegen de tirannie van de algemeenheid in. Het uitdrukkelijk christelijk werd als een splijtzwam gevoeld. Vandaar, dat b.v. het met eigen geld opgerichte christelijke militaire tehuis in Kampen 60 jaar geleden alleen maar mocht betreden worden door militairen, die een briefje van de ouders hadden. Een maatregel, die voor kroegen niet gold. Tegenwoordig worden ook humanistische militaire tehuizen opgericht. Niemand zegt de a.r. schrijver spreekt dan over verzuiling. Maar ‘zodra wij uitspreken, dat het onze roeping is, een bepaald werk b.v. in verband met sociale verbeteringen of op cultureel terrein, uit de aard der zaak zó te willen doen, dat het evangelie beslissend is voor wat wij doen en laten, dan wordt er met de vinger naar gewezen. Dan klaagt er iemand: dat is verzuiling.’

Die term .nu wordt van a.r. zijde afgewezen. Hij is bedoeld, zegt men daar, als agitatiemiddel. Wie klaagt over verzuiling, aldus het blad, komt terecht bij geestelijke tirannie, de tirannie van de neutraliteit, die zich aandient met mooie namen als algemeen, nationaal. Wij willen dat het werk zal worden bezield door het evangelie, zal worden verricht in gehoorzaamheid aan de Here Jezus Christus, die het leven door Zijn woord en geest vernieuwen wil.’

'Nu, dat is allemaal erg massief gezegd.

Maar wij beginnen er niets mee. Want het raakt niet de zaak, waar het ons om begonnen is, nl. de strijd tegen de tirannie der geestelijke neutraliteit, die ons evenzeer een gruwel is als de antirevolutionair.

De schrijver meent dit te moeten zeggen naar aanleiding van het jongste landbouwcongres van de PvdA, waar Egas de verzuiling heeft afgewezen. Maar heeft hij

daarmee geestelijke tirannie bedoeld? Hij heeft juist een kwellende dwang willen afwijzen, vooral door het ministerie van Maatschappelijk Werk gepleegd, dat voor zijn subsidie in de dorpsgemeenschap levensbeschouwelijke organisaties eist, ook daar, waar er volstrekt geen behoefte aan bestaat, en waar het werk in volmaakte harmonie gebeurt. Dat is een onduldbare tirannie, die de confessionele partijen daar opleggen.

Maar het probleem heeft wijder sterkking.

Geestelijke tirannie is voor elke democratische socialist een gruwel. Hij herinnert zich nog, hoe de radio-censuur onder de zweep van de zojuist overleden a.r. oudminister De Wilde werkte. Hij is niet vergeten, hoe deze bewindsman principieel weigerde een sociaal-democraat tot burgemeester te benoemen. Hij weet, dat een humanistisch militair tehuis van een ‘rechtse’ gemeenteraad geen cent subsidie krijgt.

Misschien moeten wij met het hanteren van het woord tirannie over en weer wat voorzichtig zijn, omdat de onderliggende, althans geen macht hebbende groep spoediger iets als tirannie voelt dan de machthebbers.

Maar daar gaat het niet om.

Wanneer wij de kunstmatige opdeling van ons volk in confessionele blokken verwerpen, dan heeft dat een ernstige reden, die door de schrijver in ‘Nederlandse Gedachten’ niet geraakt is.

Wij doen dat uit geestelijke, godsdienstige, christelijke overwegingen. Ons staat voor de geest, dat een stuk praktisch werk in ons volk en ten bate van ons volk slechts gedaan kan worden in voortdurende confrontatie met de daarachter liggende geestelijke motieven. Niet in de top, maar op het grondvlak; niet nadat de machten zich geconsolideerd hebben, maar in de vrijheid van het werk. In eerbied voor elkander. Door beïnvloeding van elkander. Wanneer ik, als christen, aan een stuk werk van sociale of politieke aard bezig ben met een niet-christen, dan leer ik van de ander veel en ik hoop, dat dit omgekeerd ook het geval zal zijn. Ik leer in ieder geval gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor eenzelfde zaak.

Wij verwerpen ten diepste de neutraliteit. D.w.z. de neiging om de kerk of ’t geloof er maar buiten te laten. Deze neutraliteit hangt samen met een bepaald soort 19e eeuws liberalisme, dat verscherpt werd door de houding van een bepaald soort christenen ik bedoel de antirevolutionairen die hun eigen organisaties bouwden en de rest dan ook maar aan de ‘ongodisten’ prijsgeven. De verzuilers zijn de stimuleerders geweest van de neutraliteit. Zij krijgen hun trekken thuis.

Hiermee is de kous niet af! Want wie tegenover de neutraliteit de solidariteit stelt, ziet anders tegen het christelijk geloof aan, beleeft het kennelijk anders, dan wie de christelijke organisatie als principe verdedigt. Wij verwerpen nl. de gedachte als zou de gehoorzaamheid aan Christus een aantal duidelijke grondlijnen opleveren, die een bepaalde concrete sociale of politieke organisatie zouden wettigen. Een lange reeks van wijzigingen in standpunten, als principieel gehuldigd, thans als onjuist verworpen, bewijst dit. Wat zou er van de leerplicht, het algemeen kiesrecht, het vrouwenkiesrecht terechtgekomen zijn, als de antirevolutionairen het voor het zeggen gehad hadden. En voor het heden: in welke kringen vindt men de wekkers van de roep om onderwijsvernieuwing, waar zijn de kringen die het massa-jeugdwerk, het buurthuiswerk begonnen zijn? Niet bij de antirevolutionairen. En, om even een vermakelijke zijsprong te maken: dr. E. Brongersma schrijft in ‘Te Elfder Ure’ van november/december ’55, hoe paus Plus XI in zijn encycliek Divini illius Magistri 25 jaar geleden verklaarde dat coeducatie ‘een hoogst verderfelijke dwaling’ was, die ‘onmetelijk nadeel voor de jeugd’ meebrengt terwijl thans door gezaghebbende priesters en leken op katholieke congressen voor coëducatie geijverd wordt. Zo gaat het met principes.

Het christen zijn, door ons even ‘totaal’ opgevat als de antirevolutionair dat doet, noopt ons niet tot een christelijke organisatie. Het noopt ons wél tot samenwerking, waar dat maar enigszins kan; het noopt ons tot een zoeken naar Gods bedoelen in de steeds wisselende situaties. Het maakt ons soms weerloos en zwijgzaam, soms toornend, maar altijd hoopvol. Het doet ons nooit ons vastleggen op principes, die in de loop der geschiedenis (Gods geschiedenis!) steeds weer wijziging behoeven.

Er komt nog iets bij: zó alleen kunnen wij de gevaarlijke suggestie die er van neutraliteit uitgaat, tegentreden. Niet op de a.r. manier. Want die bevordert, zo zagen wij, de neutraliteit. Zoals ook het humanistisch organisatieleven, gestimuleerd door de mogelijkheden die de verzuilingswetgeving en de suggestie die ervan uitgaat, bieden, door de antirevolutionairen bevorderd wordt.

De tirannie der geestelijke neutraliteit kunnen wij alleen maar tegemoettreden, door christen te zijn met de ander in de werkverbanden voor die doeleinden die ons hart hebben en een appel op ons inzicht en geweten doen.'Waar het christen-zijn functioneert, is neutraliteit niet meer mogelijk. Alleen: dan komt er géén antirevolutionair program te voorschijn. Wat, van bijbels standpunt uit, ook niet nodig is, dunkt ons.

Ziezo, hiermee hebben wij opnieuw duidelijk gemaakt, waarom ons de tegenstelling ‘verzuiling’ en ‘geestelijke tirannie’ niet aannemelijk lijkt. Wij stellen liever: ‘verzuiling’ plus ‘geestelijke tirannie’ óf solidariteit van christenen en niet-christenen. Zo wil het moderne socialisme het.

L. H. R.