is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 6, 11-02-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is vol van geladenheid. De afgelopen jaren hebben een beleid opgeleverd, zo aarzelend en wisselvallig, dat geen Fransman een nieuwe Franse regering nog serieus kan nemen als deze niet tot een duidelijke keuze bereid is. Noord-Afrika is op het ogenblik een stinkende wond, die niet meer door zachte heelmeesters kan worden geheeld.

In feite komt het erop neer, dat Mollet die thans een bezoek aan Algerië brengt wil proberen met kleine veranderingen Vooral in de persoonlijke sfeer, een iets betere atmosfeer te scheppen voor latere maatregelen. In de eerste plaats beoogt hij daartoe het ambtenarenkorps door vervangingen wat beter in de hand te krijgen. Tot nog toe was het nl. zo, dat elke bij de kolonisten onpopulaire maatregel in de ambtenarij verzandde. Dergelijke vervangingen zijn overigens precair genoeg. Wij behoeven maar te herinneren aan de krantenberichten van deze week over het vertrek van de afgetreden resident-generaal Soustelle. De Franse kolonisten hebben dit willen verijdelen. Ten slotte is de oudresident per hijskraan in het schip getakeld omdat de normale weg door de kolonisten was versperd.

Nog meer moeilijkheden werden Mollet in de weg gelégd in verband met de benoeming op zijn initiatief van generaal Catroux als nieuwe resident-generaal.

Catroux staat bekend als een gematigd man. Hij is te gematigd gebleken voor de Franse kolonisten, die een zo felle actie hebben ontketend, dat Catroux sinds drie dagen benoemd maar weer voor de eer heeft bedankt.

Dit is de eerste nederlaag, die Mollet in Algerië heeft geleden. Het zou best kunnen, dat het reeds de beslissende is. De berichten liegen er nl. niet om. De Franse kolonisten te Algiers zijn in openlijk verzet gekomen tegen de regering-Mollet. Men wil de regering dwingen tot een voor de kolonisten aanvaardbare politiek en men deinst niet terug voor middelen, die rechtstreeks aan de fascistische strijdmethoden zijn ontleend. Mollet heeft op dit oproer geen passend antwoord.

ToCh passen in het tumult, dat nu is ontketend, alleen nog maar straffe maatregelen. Aangezien deze zich tegen de Franse kolonisten moeten richten want van deze zijde komen de wanordelijkheden betekent dit, dat Mollet een beleid moet voeren, dat bij centrum en rechts niet in de smaak zal vallen. Het betekent ook, dat wil Mollet toch een meerderheid behouden hij om van de stemmen van de communisten verzekerd te blijven, zelfs een zeer radicale koers zal moeten uitzetten.

Een gevaarlijk alternatief, dat in beide gevallen vrijwel op een nederlaag in de kamer zal uitlopen. H. VAN VEEN

De roman als probleem

N.a.v. Adriaan van der Veen ‘Spelen in het donker’. Uitgave Querido, A’dam 1955, 201 blz., f 7,90.

Een roman is natuurlijk allereerst een verhaal, maar al lezend gaat men zich één voelen met de hoofdpersoon en dan komt er een ogenblik, dat men mee gaat dragen aan de vraagstukken van de held. De lezer is nu niet langer alleen toeschouwer, maar is op zijn manier tevens betrokken op de wederwaardigheden, die hem niet alleen verteld worden, maar hem ook in zekere zin overkomen. Nog steeds heeft de romanschrijver de overhand, want het is zijn verhaal, maar de lezer is voortaan in gesprek met hem. En als straks de roman uit is, blijft de lezer alleen achter, innerlijk verrijkt, omdat de schrijver hem deelgenoot heeft gemaakt van een levenslot en daardoor zijn levensinzicht heeft verrijkt. Hij hoeft het met de schrijver niet eens te zijn, mits deze er maar in geslaagd is hem van de waarheid, d.i. de innerlijke noodzaak van zijn verhaal te overtuigen.

Men moet die innerlijke noodzaak niet verkeerd verstaan. Er wordt niet mee bedoeld, dat de mensen in een boek niet anders kunnen handelen dan ze in feite doen. Elke vórm van determinisme, speciaal die van omstandigheden, afstamming en tijd, is voor de romankunst de dood in de pot. Maar de innerlijke noodzaak van een roman is subtieler; schematisch aangeduid, komt ze hierop neer: gegeven A in een gegeven situatie, is het duidelijk dat A een keuze moet doen, maar de keuze zelf wijzigt de structuur van A’s zieleleven. Het verloop van deze curve is waar, wanneer de schrijver erin slaagt deze zo te ontwerpen en te beschrijven, dat de lezer, die zich met A op de wijze van een meelevend toeschouwer

geïndentificeerd heeft dit verloop innerlijk kan beamen. Dat wil nog niet zeggen, dat hij over dit verloop eender oordeelt als de auteur. Hij erkent weliswaar de innerlijke waarschijnlijkheid, maar hij behoudt het recht de probleemstelling zowel als de keuze en het verloop anders te waarderen dan de verteller. Waar deze innerlijke noodzaak ontbreekt, komt de dialoog met de schrijver niet tot stand; de lezer blijft buitenstaander, op zijn hoogst geamuseerd toeschouwer.

Bij de romans van Adriaan van der Veen was de lezer steeds betrokken. De ernst van deze schrijver openbaarde zich hierin, dat al zijn romans wel autobiografisch leken: zozeer had hij zich met de problematiek van zijn hoofdpersoon geïndentificeerd. Die ernst kan wel eens drukkend werken: het speelse element van de vertelkunst komt dan in het gedrang. Van der Veen verstaat alleen maar die gebeurtenissen en gesprekken, die in betrekking staan met zijn centrale probleem. Zijn romans missen luchtigheid. Het leven immers dat de romankunst wil spiegelen, mist de ernst van de schrijver die van zijn probleem bezeten is. Het arrangeert nimmer zo systematisch avontuur en ontmoeting.

Adriaan van der Veen schreef tot nu toe vier romans: ‘Wij hebben vleugels’ (1946-nu in de Salamanderreeks), ‘Zuster ter zee’ (1949, Querido), ‘Het wilde feest’ (1953 Querido, bekroond met de Van der Hoogtprijs), en ten slotte ‘Spelen in het donker’. Na een kuur in een sanatorium gaat de hoofdpersoon, Robert, een Hollandse jongen, zich vestigen als volontair aan een provinciale Amerikaanse krant. zijn isolement in het sanatorium, is hij vastbesloten zich nu weer in te lijven in de mensengemeenschap. Het verloop van deze groei, in

zekere zin, een vertraagd puberteitsproces, is het thema van deze roman. Vertraagd puberteitsproces ook in deze zin, dat Robert innerlijk gekneusd is, wijl hij zich verlaten en verwaarloosd gevoelt door zijn ouders van wie hij loskomen wil. Hij heeft daar in dat Amerikaanse stadje een reeks ontmoetingen, die hem helpen zich zelf te vormen: een vent met uitgesproken fascistische neigingen, die zijn zuster terroriseert, een redacteur met kunstenaarsaspiraties, vernederd doordat hij vader is van een debiel kind, de moeder van dat kind, die helemaal opgaat in de verzorging van dat stumperdje, een onevenwichtige gescheiden vrouw, met wie Robert een kortstondig liefdesavontuur beleeft, hiaar wier dochter, ook al door haar ouders verwaarloosd, ten slotte zijn grote liefde wordt. Gegeven het thema was het misschien onvermijdelijk, maar het steekt de lezer wel, dat Robert in al deze ontmoetingen steeds het wijze, het beslissende woord spreekt. Dit geestelijk overwicht, kennelijk gewild door de schrijver, belemmert enigermate de identificatie met de lezer. Daar schuilt ook wel wat Europese hoogmoed in. Robert ontdekt zijn levenskans in een milde begrijpende levenshouding. Het imbeciele kind toont hem de ongereptheid van het primitieve leven, waarvan we hopeloos vervreemd zijn. Voortaan zijn we gekwetst en ‘...blijven ons hele leven bezig met de reparatie daarvan, zonder dat we dat zelf weten. Elk van onze daden en gedachten is dus eigenlijk pijnbestrijding’ (blz. 94). En elders: ‘... Zijn eigen ik voor anderen te vergeten is zelfbescherming. En toch was dat het enige, dacht hij. De mensen moesten dicht bij elkaar gaan staan. Om niet onder te gaan moesten ze elkaar steunen en met de handen op eikaars schouders de diepte van hun alleen zijn bezweren’ (blz. 68, 69).

Ik weet niet zeker, of Robert met deze levenswijsheid, die ik waarlijk niet kleineren wil, toe zal komen. Zijn vertrekpunt, als dat van alle romans van Adriaan van der Veen is het absolute nulpunt. Zijn ouders hadden hem niets meegegeven dan comfort (dat is in romans altijd makkelijk!); hij heeft ook geen last van morele vooroordelen; zijn omgang met vrouwen bewijst dat.

De lezer blijft napeinzen, als hij het boek gesloten heeft. Heeft de schrijver bedoeld, zoals de omslag suggereert, dat het leven niet anders is dan ‘een spel in het donker’? En suggereert deze roman, hoe Robert de eiementaire spelregels wist te ontdekken? Men zal dan moeten zeggen, dat het de schrijver ontbreekt aan de laatste ernst, of anders: dat spelen voor volwassenen slechts zin heeft, voor en na de arbeid uit plicht. Wat deze roman geeft in een fraai gecomponeerd relaas, zijn inderdaad niet onbelangrijke spelregels. Maar het spel voltrekt zich in een afgesloten ruimte, een speeltuin. Er wordt daar niet gewerkt, er wordt daar slechts geconverseerd en gespeeld. Buiten de speeltuin, in de ruwe wereld ziet Robert de storm opsteken van een nieuwe onverdraagzaamheid. Hij weet daar niet veel tegen in te brengen, tenzij een medelijdende diagnose, dat onverdraagzaamheid altijd een kern van persoonlijke angst inhoudt (blz. 167). Ik zal het niet ontkennen, maar wie is er met dit inzicht gebaat?

De sobere mensenliefde, waar dit boek van getuigt, schiet te kort als ze slechts voorgedragen wordt als een soort geestelijke hygiëne voor privégebruik. Ze is dat inderdaad, maar ze is meer. Ze is levenswet, ze is ons categorisch voorgeschreven. Men gunt Robert zijn happy ending, maar had liever gezien, dat hij in Amerika ook nog iemand ontmoet had, die hem gesproken had van een heilig moeten, van het leven als opdracht. j. g. B.