is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 7, 18-02-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN POORTJE VAN PIETER DE KEYSER (1633) toegang tot het Wijnkopersgildehuis te Amsterdam, St. Urbaan patroonheilige der wijngaardeniers, het snoeimes hanterende te midden van wijnranken, werd afgeheeld in de gevelsteen.

waarin hij tegelijk de gehele sociale strijd van de arbeiders betrok. Toen Banning in de jaren 1907—1909 jong onderwijzer was in Hoorn, heeft hij van Tepthoff les gehad en is mee daardoor tot het besluit gekomen, predikant te worden. In ‘De Blijde Wereld’ van 2 februari 1929 heeft hij hem piëteitvol herdacht: een klein, tenger mannetje, van alle uiterlijke schoonheid ontbloot, een zwak lichaam, maar waarin een vurige, zelfstandige geest woonde, Banning schrijft dat hij zich, vooral in latere jaren, eenzaam heeft gevoeld, en men vraagt zich af waarom deze voorloper eenzaam moest bl«ven in een tijd waarin zijn denkbeelden meer en meer ingang vonden onder de jongere predikanten van

de vrijzinnige richting. In 1913 heeft hij emeritaat aangevraagd. In zijn afscheid aan de gemeente van Hoorn heeft hij zich verweten te weinig priester te zijn geweest en te veel het model van de profeet voor ogen te hebben gehouden.

Zijn laatste, eenzame levensjaren heeft hij in Amersfoort doorgebracht. Daar is hij in de zomer van 1916 gestorven. ‘Hij was wel de edelste mens die ik ooit heb ontmoet,’ schreef zijn jeugdvriend, de Leidse classicus prof. J. J. Hartman, na zijn dood. P. J. MEERTENS

*) De plaat is, verkleind, afgebeeld in: H. J. Wilzen en A. van Biemen, Samen op weg (Amsterdam, 1953), tgr. blz. 16.

Familie Doorsnee

Het is weer geschied, de maandelijkse behandeling in de kapsalon. De kuif is netjes getrimd, meneer zelf heeft het gedaan, de bediende maakte met de klerenborstel enkele bewegingen over mijn kraag en zei ‘Balieefd meneer’ toen ik hem daarvoor een passende beloning toekende.

Overigens een ruimdenkend mens, mijn kapper. Tijdens het gefrunnik aan je hoofd met kam en schaar weet hij de mens naar het hart te spreken. Taxeert hij je op buitenkerkelijk, dan komt er in het gesprek altijd wei een opmerking als: ‘Ziet u, ik zeg altijd maar: het zit ’m niet in het kerkgaan’; of als het regent: ‘De christelijken zullen wel weer zeggen: die regen komt ook van Onze-Lieve-Heer’. Waarbij dan de laatste opmerking pas diepte krijgt voor wie weet, dat de concurrent in dezelfde straat christelijk is. Ik waagde het, te vertellen, dat ik ook wel eens de kerk bezoek. Maar hij liet zich niet vangen en stond dadelijk weer naast me. ‘Natuurlijk meneer, je moet toch ergens bijhoren, want helemaal niks, dat is toch ook maar niks.’ Een logica, waartegen ik niets kon inbrengen.

Zo is de kapper. Tot zijn beroepsmoraal behoort het gebruik om met iedereen mee te praten, vanwege de klandizie. Hij mag zich zelf niet zijn. Zich zelf moet hij verbergen onder de witte jas. Hij moet iedereen tegelijkertijd zijn. Hij deelt de neutrale houding met kelners en redacteuren van sommige gezellige weekbladen.

De kapsalon is de tempel der neutraliteit. Daar liggen dan ook die bladen, die niet schrijven om voor te lichten of meningen te vormen en te overtuigen, maar die het lezerspubiiek geven wat erin gaat. Er gaat veel in het publiek, dat men in wachtkamers vindt; wie geduld oefenen moet, is bereid tot alies. Daar ligt de ‘Wereldkroniek’. Ik zie foto’s van een bijeenkomst van de Morele Herbewapening. De foto’s zijn als al zulke foto’s: glimlachende mannen, die het goed bedoelen en succes hebben. Het onderschrift bevat kappersmoraal: ‘Of deze actie succes zal hebben, is een open vraag, maar in elk geval is het een lofwaardig streven.’

Ja, dat is het zeker. Voelt u de neutraliteit in deze woorden? Een voorzichtige waardering voor het lofwaardig streven, die eigenlijk bedoelt; aan mijn lijf geen polonaise. Een reportage van een geestelijke beweging, die men afschiet, terwijl men zelf buiten schot blijft. ‘Een open vraag’; de neutraliteit laat namelijk alle vragen principieel open. Het is de houding van vriezen of dooien. Wie neutraal is en een groot deel van het Nederlandse volk, dat wortelt in de liberale levenssfeer, is neutraal heeft geen geloof in zich zelf en verwerpt noch bestrijdt het geloof van de ander. Hij heeft geen liefde en geen haat; alleen maar die gereserveerde belangstelling en die vrijblijvende bemoeienis die heet noch koud is en laf smaakt op de tong. De neutraliteit als levenshouding vermijdt elke overtuiging e» geeft de gemiddelde denkwijze weer, het gemiddelde levensgevoel, het gemiddelde fatsoen van de gemiddelde Nederlander, waarbij men alle kanten uit kan zonder één kant werkelijk uit te gaan. Het enige wat ermee bereikt wordt is die karakterloze middelmatigheid, die van het ganse volk één grote familie Doorsnee maakt.

Tegen mijn kapper zeg ik dit niet. Ik vrees, dat hij het dadelijk met mij eens zou zijn. En dat de goede man zich ’s avonds op zou hangen, omdat hij voor taan voor zijn vak niet meer zou deugen. H. J. DE WIJS