is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 9, 03-03-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j den Heef \ ' behoort de aarde J I en haar J \ volheid. j Psalm 24 : 1 /

ïyd en Taak

WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 53STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 3 maart 1956 No. 9

Redactie: ds. J. J. Buskes Jr. ds. L. H. Ruitenberg dr. J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48* Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr.J. G. Bomhoflf

lbotmtmentperjaarfS,—; halfjaar f 2,75; kwartaal f 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrsfO,ls; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveldls, Amsterdam-C; Postbus 800

STRIJDENDE HUMANITEIT

Het is naar ik hoop voor de vrienden-tegenstanders van het Humanistisch Verbond nog niet te laat, wanneer ik openlijk in Tijd en Taak mijn hartelijke gelukwens met hun tienjarig bestaan en mijn positieve waardering voor de door hen verrichte arbeid in deze jaren uitspreek het ligt eenvoudig aan het feit, dat ik maar eens per maand hier aan het woord kom, dat mijn gelukwens niet precies op tijd kon zijn. Wanneer wij in dit blad de verschijnselen in onze Nederlandse cultuurwereld voortdurend bekijken met het besef, dat de waarachtige menselijkheid wordt bedreigd, dan kunnen wij ten zeerste dankbaar zijn, dat het Hum. Verbond er is als een stuk georganiseerde, strijdbare en op daad gerichte humaniteit. De situatie in Nederland en Europa is er waarlijk niet naar, dat wij ons in een zekere gerustheid kunnen koesteren en de situatie in de christelijke kringen is er niet naar, dat men daar zou kunnen wanen: wij knappen de problemen wel op. Zowel in de strijd tegen vervlakking en nihilisme, tegen bruutheid en dictatuur als in de positieve hulp aan mensen door middel van maatschappelijk werk, verricht het Hum. Verbond zijn werk, en ik wens het gaarne uitbreiding en verdieping toe voor de komende tien jaar.

Intussen: ik grijp de gelegenheid meteen aan om voor onze eigen groep op de grondslagen van onze strijdende humaniteit te wijzen. Het is immers niet waar, het Hum. Verbond beweert dat ook niet, dat er alleen te spreken zou zijn van humanistische humaniteit er is óók een aan het Evangelie ontsprongen humaniteit. Ik houd er niet van om met teksten te argumenteren, maar wijs ditmaal op een gedachtengang, die Paulus ontwikkelt in de Brief aan Titus (3:4-7) en die ongeveer hierop neerkomt: in de figuur van Jezus staat vóór ons de mensenliefde (filantropia) van God, niet omdat wij die verdiend zouden hebben, omdat wij zo goed en zo braaf zijn, niet ‘om werken der gerechtigheid die wij zouden gedaan hebben,’ maar om ons innerlijk te vernieuwen en ons zo te bereiden voor het komende Rijk van God. Of, korter: zoals

God aan óns doet en gedaan heeft, zo behoren wij de medemens te behandelen.

In deze opvatting der humaniteit vind ik in de eerste plaats een sterk stuk realisme, dat mij tegen allerlei illusionisme wapent, óók wel tegen humanistisch illusionisme. De mens zoals hij reilt en zeilt, zoals hij van nature is, moet men bepaald niet overschatten. Wat hij presteert, en dan in het bijzonder aan ‘werken der gerechtigheid’ hetgeen nog iets anders is dan techniek blijft stukwerk; hij wordt meer gedreven door eigenliefde dan door mensenliefde, de mislukkingen én in het sociale leven én in de persoonlijke verhoudingen van vriendschap en hefde zijn er het bewijs van. Dit behoeft allerminst te leiden tot het doemwaardig achten van dé mens, zoals dat in bepaalde ‘christelijke’ kringen te doen gebruikelijk is ik onderga zulk een verwringing meer als ziekelijk extremisme dan als bevrijdende waarheid. Vooral omdat ontbreekt en dat is een tweede wezenlijk element in de evangelische humaniteit —: God vindt blijkbaar, bij alle stukwerk en gebrokenheid van de mens, hem zozeer de moeite waard, dat Hij hem winnen wil voor Zijn Rijk. Waarmee dus iets gezegd wordt beter: waarmee een enormiteit gezegd wordt over de bestemming van de mens. Niet: de ontplooiing van de in hem werkende krachten of in hem sluimerende mogeiijkheden; en zeker niet: het zich ongeremd uitleven van alles wat in hem woelt aan begeerte en drift. Maar: innerlijke vernieuwing met de bestemming tot het Rijk van God. Dat is inderdaad van de gewone mens uit gezien, een enormiteit, die toch zéér wezenlijk is in het Evangelie.

Op nog één trek uit deze ‘christelijke’ opvatting der humaniteit wil ik, zij het kort, wijzen. God wil dus de mens ieder mens, dwars door alle scheiding van stand, klasse, volk, ras heen winnen voor Zijn Rijk. Maar Hij kneedt die mens niet naar model. Hij dwingt niet met geweld. Hij spreekt ons aan als verantwoordelijk wezen. Hij laat in Zijn paam Jezus ons aanspreken én de lijdensweg gaan. Ik noem deze trek niet, omdat we zo langzamerhand weer de zgn. lij denstijd naderen, maar om-

dat hij wezenlijk is voor de evangelische humaniteit: de weg van het offer. Die hóórt nl. bij dat realisme van zo pas.

Hier ben ik nu, naar mijn eigen besef, bij de kern van de strijdende humaniteit, zoals mij dit uit de Evangeliën, uit het hele Nieuwe Testament tegemoet komt. Strijdende humaniteit het betekent niet de vervulling van de door ons gestelde idealen. Het betekent wél (en dat kunnen wij dan van harte samen doen met de humanisten van het Hum. Verb.): een mens die in de vervlakking, in het nihilisme, in de gemeenheid dreigt te verzinken, een hand toe steken. Het betekent wél (en dat kunnen wij samen doen met onze socialistische makkers in de PvdA): de oorzaken van sociaal en economisch onrecht opruimen en de baan vrij maken voor recht en menselijke vrijheid. Het betekent óók, dat alle verhoudingen tussen mensen in fabriek en school, in ambtenarij en verkeer, enz. doordrongen moeten worden van het besef, dat ieder mens een verantwoordelijk wezen is, en op die verantwoordelijkheid moet worden aangesproken, en ook hier is een terrein van brede samenwerking ter wille der humaniteit mogelijk. Er zijn zo nog wel een aantal terreinen aan te wijzen, waar samenwerking geboden is ik laat het bij het genoemde. Telkens gaat het erom, en nu zeg ik het eens met een klassieke ‘humanistische’ term, dat de mens niet wordt misbruikt als middel, maar erkend wordt als doel, in zijn mensenwaarde, in zijn persoon-zijn.

Maar de bron, waaruit de evangelische humaniteit haar inhoud en voedsel ontvangt, is een bijzondere, waardoor verschillen met de humanistische humaniteit blijven. Wij weten dat van beide kanten wel. Het betekent dan ook en dat voeg ik gaarne aan mijn gelukwens en huldebetuiging toe dat de groei van het humanisme als organisatie en beweging gepaard moge gaan in de komende tien jaar met een verdiept besef van eigen grenzen en de erkenning van andere, óók positieve humaniteit. Ik hoop daarbij vurig, voor ons allen samen, dat scherpslijperij van bepaalde christelijke kanten dit noodzakelijke groeiproces niet moge hinderen. w. B.