is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 9, 03-03-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leonard Ragaz

In ‘Reformatio’ van januari 1956, tijdschrift voor evangelische cultuur en politiek, uitgegeven door de Zwitserse evangelisch-kerkelijke vereniging, tref ik een artikel over Leonard Ragaz. Het is van de hand van Andreas Lindt.

Te midden van de tien-j arenherdenkingen, die Nederland overspoelen, is het goed ons de dood van Leonard Ragaz, meer nog, zijn leven te herinneren. Zijn sterven viel op een moment, dat de wereld hoopvol was. Op 6 december 1945 viel de schrij verspen, waarmee hij aan de correcties van zijn memoires en zijn grote bijbelstudie bezig was, hem uit handen. Dat was M. Het werk was gedaan. God bespaarde hem groter eenzaamheid. Want dat zou zeker zijn deel geweest zijn, als hy de ontwikkelingen na 1945 méé doorleefd had.

Laat ons nagaan, wat ds. Lindt schrijft, nu allerlei rook rondom Ragaz is weggevaagd, op een voldoende afstand om objectief te zijn, maar dichtbij genoeg, om de man-zelf voor ogen te hebben.

Wij, die evangelie en socialisme tot ontmoeting willen brengen, doen goed, hem niet te vergeten. Maar wij moeten ons daarbij bewust zijn, dat hij Zwitser was, en wij op een andere plek van de wereld deze ontmoeting doorleven.

Ragaz werd in 1868 als boerenzoon in het Graubündenerland geboren. Hy is een Zwitserse boer gebleven. Een boer uit Graubünden: onafhankelijk, eigenzinnig. Zijn politieke denken zo betuigt hij in zijn autobiografie is gestempeld door zijn jeugdbelevenissen in de dorpsgemeenschap, die ■hem als sociale orde in zyn jeugd omgaf. In deze dorpsgemeenschap bestond nog gemeenschappelijk bezit, en er was een van oudsher geboden samenwerking. Hier liggen de wortels voor zijn socialisme, dat hij vooral als coöperatie zag. Hier lag ook zijn af keer van de staatsmacht en zijn sympathie voor allerlei syndicalistische, ja, anarchistische strevingen.

Leonard bezoekt in Chur de middelbare school en studeert in Bazel, Jena en Berlijn. Zijn theologische ontwikkeling staat in het teken van het modernisme en de grote filosofen van het Duitse idealisme. Kant voorop, hebben grote invloed op hem.

In 1890 wordt hij predikant, in een Graubündener dorpje, vanwaar hij in 1895 naar Chur, de hoofdstad, wordt geroepen. Daar duiken de sociale problemen voor hem op. De Engelse christen-socialisten, als Kingsley en Robertsen, boeien hem. Hy wil sociaal verantwoordeiykheidsbesef wekken en komt op voor sociale hervormingen op de bodem van de bestaande maatschappelyke orde. Hij wordt buiten zyn kanton bekend. In zyn vrijzinnig-christendom vindt hy alle vragen van zyn tyd beantwoord.

In 1902 wordt hij predikant van de Munster van Bazel. In de tijd die dan volgt.

vindt zijn bekering plaats. Dan breekt, zoals hy het later zal beschryven, ‘het geloof aan het koninkryk Gods als kern en ster van de bybel en van de zaak van Christus’ door. Heel merkwaardig: hij kan geen uiterlijke gebeurtenis aanwijzen, noch de bijbel als stimulator van deze ‘bekering’ aan wij zen. Het is een soort directe openbaring.

Hij beleeft deze bekering aan de arbeidersbeweging. Hij is teleurgesteld door het kerkelijke christendom, door het verziekelijkte burgerdom en hij wordt gegrepen door de jonge, gezonde kracht van de socialische arbeidersbeweging. Hier vindt hij nieuw leven, toekomstverwachting, doelbewust streven naar een betere wereld. Hermann Kutters ‘Sie Müssen’, met zyn profetische visie, die laat zien, dat in de ‘goddeloze’ sociaal-democraten het wereldverr nieuwend werk van de levende God bezig was, heeft invloed op hem. Waar het evangelie in de loop der geschiedenis steeds weer opnieuw leven gaat, doorbreekt het alle grenzen en geeft het aan het gehele sociale leven nieuwe vormen.

Ragaz knoopt daar, anders dan Kutter, praktische consequenties aan vast. Hij sticht een blad, ‘Neue Wege’. In de herfst van 1906 verschijnt het eerste nummer. Zijn woord slaat in. Een groot deel van het opgroeiend theologengeslacht (o.a. Karl Barth) wordt door de religieus-sociale beweging gegrepen. Het woord religieussocialistisch vermijdt Ragaz. Dat is door rooms-katholieken elders in gebruik genomen om de christelijk-sociale activiteit aan te duiden.

In 1908 wordt Ragaz hoogleraar in Zürich. Hij doceert systematische en praktische theologie.

In 1914, bij het uitbreken van de Ie wereldoorlog, ziet hij een nieuwe taak, een compromisloze strijd tegen alle geweldsgeloof; een nieuwe fundering van het socialisme; een oproep aan zijn volk om de nieuwe verantwoordelijkheid, juist voor Zwitserland, te zien. In deze tijd ontmoet hij Blumhardt jr, die blijvende indruk op hem maakt door de intensiteit van zyn geloof in het koninkrijk Gods. Hij gaat zich de eigenlijke erfgenaam van de Blumhardts voelen.

In 1921 legt hij zijn professoraat neer. Dat is een demonstratie. Hij wil aantonen, dat de weg van de kerk en de theologie doodloopt. Hij wil op een nieuwe, onkerkelijke manier het Rijk van God dienen. Hij werpt zich op de opvoeding in de zin van wat wij thans vorming noemen. Hij doet dit als socialist en in het internationale pacifisme.

Deze weg bracht hem veel spanningen. Verwachtingen werden niet vervuld, de dialectische theologie komt op en velen van zijn vroegere aanhangers vervreemden zich van hem. Hij breekt met oude vrienden, ook

met Kutter. Als hij in 1936 uit de sociaaldemocratische partij treedt, staat slechts een klein groepje getrouwen nog rondom hem. Deze breuk werd veroorzaakt door het aanvaarden van de landsverdediging door de sociaal-democraten. Een nieuwe crisis kwam, toen het nationaal-socialisme ging doorwerken. Kon het beginsel van geweldloosheid blijven gelden? Ragaz, die zeer scherp het wezen van het nationaal-socialisme doorzag, is, aldus Lindt, nooit helemaal uit deze vraag gekomen. Wie wel?

Toen de tweede wereldoorlog uitbrak, betoonde het Zwitserland zich klein tegenover Ragaz en zijn ‘Neue Wege’. Hij moest menige ruzie met de censuur uitvechten.

In de laatste jaren gaat Ragaz zich opnieuw intens met de bijbel bezighouden. Na zijn dood verscheen ‘Die Bibel – ein Deutung’, een werk in 7 delen.

Ds. Lindt geeft op de vraag, wat het blijvende in zijn levenswerk is, op drie punten een antwoord.

2. Theologisch staat hy ons verder af. beweging is openbaar geworden in het bewustzijn van de sociale en politieke verantwoordelijkheid van de christenheid. Juist het ingaan in de praktijk heeft stimulerend gewerkt. Ook voor het socialisme heeft hij een belangrijke functie gehad, maar dan als roep om een religieus en ethisch gefundeerd socialisme. Ragaz wees zowel het kapitalisme als de ‘verstatelijking’ van het socialisme af. Hij kwam op voor samenwerking op het grondvlak. Ook de strijd voor een goede volkenorde is mede door hem gestimuleerd. Hij was hier een dapper pionier, al kunnen wij hem niet in alle delen en in de consequenties, die anderen uit zijn standpunt trekken, niet volgen.

2. Theologisch staat bij ons verder af. Voor Ragaz is de hele geschiedenis verleden, heden, toekomst vol goddelijke openbaring, duidelijk en vaststelbaar. De bijbelse geschiedenis is slechts een deel van de grote heilsgeschiedenis. De geschiedenis is Gods geschiedenis, en Zijn plan is daaruit te lezen. De geschiedenis is de realisering van Gods heerschappij van Zijn Koninkrijk. Zo kon hij in democratie, socialisme, wereldvrede openbaring van de levende God zien. Van dat gezichtspunt legde hij de bijbel uit.

De pijnlijke vraag moet hier gesteld worden of dit gezichtspunt niet gevaarlijk is. Is het niet (formeel) christelyk-historisch? En hoorde men in 1933 in Duitsland ook niet deze betoogtrant? Waar is de maatstaf, om deze bewegingen af te wijzen en het democratische socialisme als openbaring Gods te zien? Het is geen wonder, dat Barth deze lijn verliet.

3. Ragaz vertegenwoordigde een radicaal-geseculariseerd christendom. Dat wordt weer actueel. De tijd voor de kerken achtte hij voorbij. In de consequente secularisering, opdat nieuwe levensvormen konden ontstaan, zag hij een teken, dat het koninkryk Gods naar zijn voleinding ging. Wij hebben het gevoel, zegt ds. Lindt, en ik val hem bij, dat Ragaz hier eerder uit de kerkeiyke situatie van de 19e eeuw, als van het nieuwe testament uit spreekt. Overigens: de vraag over de toekomst der kerk blijft actueel. In Nederland hoort men Hoekendijk en J. de Graaf op een wijze spreken, die hier aan Ragaz herinnert.

Ragaz’ stem is verstild. Maar zijn maning in Europa blijft. Niemand, die zich verdiept in de ontmoeting tussen socialisme en evangelie (als boodschap van Gods Koninkrijk) kan doof blijven voor wat hij zei. L. H. R.