is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 9, 03-03-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet vergeten (l) Het brandoffer

Albrecht Goes is 48 jaar. In de oorlog was hij veldprediker. Sinds 1938 is hij predikant in Leonberg bij Stuttgart. Hij schrijft verzen, novellen, essays en lekespelen. In 1954 publiceerde Ten Have zijn ‘Unruhige Nacht’ en in 1955 zijn ‘Das Brandopfer’ in Nederlandse vertaling.

‘Het Brandoffer’ is een novelle van nog geen 70 bladzijden. In dit boekje spreekt de stem van het andere Duitsland, waarnaar wij altijd op zoek zijn en dat wij in de regel zo moeilijk kunnen vinden. Die stem wordt al te veel overschreeuwd door 'andere stemmen.

Het verhaal wordt verteld door een assistent van de staatsbibliotheek. Hij woont op de derde verdieping van een slagerij. Karl Walker is de naam van de slager en huiseigenaar. Diens vrouw Margarete heeft het litteken van een brandwond op haar gezicht.

Dit is het begin van de novelle: ‘De mens vergeet snel. En dat is goed, want hoe zouden wij verder kunnen leven als wij niet vergeten konden? Maar soms moet er iemand zijn die gedenkt. Want hier is meer dan as in wind. Er is een vlam. De wereld zou bevriezen als die vlam er niet was.’

Dan volgt in 10 bladzijden het verhaal van mevrouw Walker, dat wordt ingeleid met de woorden: ‘Als die geschiedenis met die kinderwagen er niet bij gekomen was, zou ik het misschien niet gedaan Mevrouw Walker heeft de hele Hitlertijd meegemaakt, ook het vreselijke antisemitisme. Zij vindt het afschuwelijk. Maar wat kan zij? Als men de synagoge heeft laten af branden en haar man zegt: ‘Hou je kalm, Grete, het is nu achter de rug,’ loopt ze een uur kriskras door de stad. In de Petrus‘kerk die stond er toen nog brandt licht. Ze blijft even in het voorportaal staan en luistert naar het gezang. Op hetzelfde moment weet ze hoe het zal aflopen, alleen gebeurt het zes jaar later.

De winkel wordt jodenslagerij: elke vrijdag om 5 uur is hij alleen open voor joden. Die komen dan met hun bonkaarten, waar een grote brutale J overheen gedrukt staat. Jude betekent dat en wat de mensen op die kaarten kopen kunnen is allang veel te weinig om in leven te blijven.

Dan breekt het verhaal af en vertelt de assistent van de bibliotheek wie hij is en wie de vrouw is, die hem dit verhaal doet. Hy is aan haar voorby gegaan, totdat hy haar ontmoet op de byeenkomst van ‘Pro-Israël’, een vereniging, die zich tot taak stelt, een basis te leggen tot herstel van de goede betrekkingen met Israël. Het onderwerp is die avond: Spreek vriendeiyk met Jeruzalem! De assistent heeft er niet veel vertrouwen in. Mevr. Walker zegt tot hem: ‘ln elk geval zy'n er een paar ballingen teruggekeerd en het gaat erom die weinigen te laten merken, dat wy het goed menen. Bovendien, als in een paar van ons de ontzetting leven biyft, dan is ook dat niet tevergeefs!’ De assistent merkt dat zy het heeft over een ontzetting, die haar wezen nog geheel gevangen houdt.

Een paar weken later ziet hy, dat er op de boekenplank in de woonkamer van mevr. Walker een Hebreeuws boek staat. Hy vraagt hoe zy eraan komt en dan begint

zij te vertellen, maar het verhaal wordt, zoals wij reeds zeiden, afgebroken.

Dan volgen een aantal bladzijden over een collega en vriendin van de assistent, Sabine Berendson, de dochter van een joodse uitgever en diens niet-joodse vrouw, geboren in 1928. Langs gevaarlijke wegen was Sabine, die als vol-arisch was ingeschreven, door de Hitlertijd gelaveerd. Ter wille van haar waren haar ouders op papier gescheiden. Moeder was in 1945 gestorven. Vader had in 1942 naar het buitenland kunnen vluchten. Na het einde van de oorlog kwam er bericht, dat hij nog leefde: in Engeland. Sabine vertelt de assistent van die vreselijke jaren, onder meer het verhaal van Rebekka, haar vriendin, de dochter van de voorzanger van de synagoge. Toen de razzia’s begonnen, verstopte de voorzanger haar, maar plotseling was Rebekka verdwenen. ‘Waar is Rebekka?’ vroeg Sabine, want ze weet dat de wereld zonder Rebekka de wereld niet meer is. ‘Ze is op reis gegaan,’ zei moeder. Ja zij was op reis gegaan naar Auschwitz, naar de gaskamer, maar daarover sprak moeder niet. ‘Waar is Rebekka?’ vroeg Sabine voor de dertigste keer toen ze met vader alleen in de kamer was en vader antwoordde: ‘In jou.’ Verder zei hij geen woord. Pas na een kleine pauze voegde hij eraan toe: ‘Iemand die je werkelijk lief hebt verlies je nooit.’ Toen begreep Sabine het.

Dan gaan de assistent en Sabine nog een stukje om. Juist komt mevr. Walker thuis. Ze zegt: ‘Neemt u me niet kwalijk, juffrouw maar heet u niet Sabine Berendson?’ ‘Ja.’ ‘En uw vader?’ ‘Mijn vader? Mijn vader woont in Engeland.’ ‘Uw vader leeft dus! Goddank.’ En weer is er dat versluierde gezicht.

Dan ontvangt de assistent een brief van mevr. Walker waarin ze haar verhaal, dat afgebroken werd, verder vertelt, 20 van de 70 bladzijden van de novelle, ook het hart ervan, een aangrijpend getuigenis van de ontzetting.

Mevr. Walker staat dan in de jodenslagerij. Voor die tijd kent zij ze niet, maar nu merkt zy hoe ze er aan toe zijn. Ze begrijpt waar ze te staan heeft en wat ze doen moet of eigenlijk wat ze zou moeten doen. ‘Maar dat eigenlijke hebben wij allemaal niet gedaan.’ zy vertelt over de joden en hun leed en hoe men het zo medeiydend en wantrouwend over haar joden had, dat zy het liefst zou hebben geantwoord: ‘Ja myn joden.’ De joden praatten met haar. ‘lk wist alleen dit: ze moeten althans iemand hebben die naar hen luistert. Ook als hy niet helpen kan.’ Maar laat men zelf lezen, dit aangrypende en ontroerende verhaal, dat een mens de keel dichtsnoert.

Dat Hebreeuwse boek kreeg mevr. Walker van een jodin, die het haar als afscheidsgeschenk gaf en men begrypt wel wat voor afscheid dat was.

Het is een lange brief en het handschrift is niet zo duidelijk. De ogen van mevr. Walker zijn na de brand nooit meer helemaal de oude geworden. Maar ze moet toch nog de geschiedenis van de kinderwagen vertellen, die het tot het uiterste liet komen. Er komt een hoge nazi in de slagery, die een

oude jood zijn pakje uit de hand slaat: ‘Smous, niet zoveel vreten jij, anders ben je te zwaar voor de hemelreis, de vijftiende gaan jullie hoepla de lucht In.’ Mevr. Zalewsky beefde over haar hele lichaam. Zij verwachtte spoedig een kind. Diezelfde avond wordt er bij mevr. Walker aan het raam getikt. Het was mevr. Zalewsky, die iets voor zich uitschoof, een kinderwagen. Zij zei: ‘Die heeft de waarheid gezegd... Ik heb u de kinderwagen gebracht. U bent al die tijd goed voor mij geweest. Ik heb gedacht, misschien kunt u hem nog eens gebruiken, later ja... ik moet nu gaan en nog eens dank voor alles.’ De hemel is vol sterren, die nacht. De vrouw zegt heel zacht: ‘En God zei tot Abraham: Zie je die sterren? Kun je ze tellen? Zo groot zal...’ In de kinderwagen lagen een dekentje, een kussen en wat kinderkleren. ‘Als het zo is, dat een vrouw, die een kind verwacht, de kinderwagen moet weggeven omdat men over haar en haar ongeboren kind een reddeloos doodvonnis heeft uitgesproken, als zo iets in de wereld bestaat, dan kan het niet meer goed worden. Het evenwicht is verstoord en het zal verstoord blijven. En eigenlijk is er dan niets anders meer mogelijk dan dit: dat alles grondig wordt opgeruimd door het vuur.’

Die avond van het vuur herinnert mevrouw 'Walker zich niet meer zo goed. Best mogelijk dat zij aan tafel over haar werk in slaap is gevallen. Waarom ze niet is opgestaan toen de sirenes loeiden, weet ze vandaag nog niet. En toen gebeurde dat wat gebeuren moest.

De assistent wist helemaal niet wat er toen gebeurd was. Of zij hdt voor juist hield al wat zij bezat en ook zich zelf aan het vuur prijs te geven, of dat zij zich te moe voelde, om terug te kruipen in een wereld, waarin een aanstaande moeder haar kinderwagen weggeeft, het zijn open vragen. De assistent zal er wel nooit achter komen. Maar deze brief en de boodschap, die hij bevat, zijn op zich zrtf genoeg. Zó is de wereld. ‘Maar er bestaat op de hele wereld geen kersebloemlaan, die de bevrijde geesten zoveel licht toewerpt als er straalde door de deurspleet van deze jodenslagerij.’

Sabine heeft een brief van haar vader gekregen. Die vertelt van zijn ontmoetingèn met mevrouw Walker in 1942. Hij liet haar ook foto’s van Sabine zien. En hij vertelt van de avond, waarop hy haar uit de brandende slagerij redde en haar met haar verbrand gezicht op een bank neerlegde. Even sloeg ze de ogen open, herkende hem en glimlachte, maar onmiddellijk trok de glimlach weg en ze zei: ‘Hij heeft het niet aanvaard.’ ‘Wat?’ ‘Het brandoffer.’ ‘Wie?’ ‘God heeft het niet aanvaard.’

Dan het laatste.

De assistent krijgt een oude krant in handen, van zeven maanden geleden. Op de advertentiepagina leest hij de naam Walker. Slager Walker kondigt de heropening van zijn slagery aan. Aan de rand van de advertentie staat, wonderlijk verloren in het vlak, een bijbeltekst: Exodus 3:2. Wat moet die bybeltekst hier? Wat hebben fyne vleeswaren en Exodus 3 met elkaar te maken?

Vervolg op pag. 4