is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 10, 10-03-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NIET VERGETEN (2) De vrienden van m’n vader

Nico Rost heeft zijn kinderjaren in Groningen doorgebracht, in een herenhuis aan een van de singels. Het had twee ingangen: een fraaie voordeur aan de singelkant en een onaanzienlijke achterdeur. Door die achterdeur kwam men in de jodenbuurt: de Folkingestraat en de Nieuwstad, de straten en stegen, waarin joden woonden.

De jodenbuurt is onafscheidelijk met de jeugdherinneringen van Nico Rost verbonden. Nu heeft hij die jeugdherinneringen neergelegd in een boekje van 68 bladzijden: ‘De vrienden van m’n vader’. Het is een prachtig boekje geworden zowel naar vorm als naar inhoud. De illustraties van Lies Veenhoven naar oude foto’s en prenten zou ik niet mooi willen noemen, maar zij doen het bijzonder goed en maken het boekje aantrekkelijk.

De joden waren de vrienden van de oude heer Rost, die op zijn beurt hun vriend was. Wat heeft vader zijn jongen een oprechte eerbied voor het oude volk ingeprent.

Diep neemt hij zijn hoed af voor een kleine, in het zwart geklede man met een korte spitsbaard en een hoge hoed en zegt tegen Nico, dat hij zijn pet moet af nemen: ‘Dat was een rabbi, m’n jongen,’ en zijn vragende blik ziende: ‘Rabbi’s zijn heel geleerde mannen, waar we eerbied voor moeten hebben.’ Op een andere keer vermaant hij: ‘Niemand houdt zoveel van z’n moeder als een jood. Neem daar een voorbeeld aan. Zij vereren hun moeder hun leven lang. Alleen daarom al moet je hun steeds genegen zijn en nooit op hen gaan schelden.’ En het was een gebeurtenis van betekenis, toen vader Nico op een dag een kleine kromgebogen oude man aanwees, met een flambard op, die uit de synagoge naar buiten trad: ‘Je pet afnemen, jongen, dat is Jozef Israëls.’

Nico Rost vertelt eerst van de straten en stegen, waarin honderden arme Groninger joden dicht op elkaar huisden. Daar heerste een gestage en bittere ellende. Hele gezinnen woonden in één kamertje. Ze sliepen op de grond of op de zolder, waar het lekte en die ze alleen met een ladder konden bereiken en waar het wemelde van de ratten en muizen. Ze leefden daar van handel. Hoofdzaak was de in- en verkoop van lompen en oudroest. Zo hing er over de Nieuwstad een stank van oudroest, lompen en bittere armoe. ‘Wanneer ik nu na vele jaren aan deze toestanden terugdenk, waardoor de meeste bewoners nauwelijks in staat waren, hun één-gulden-vijftig huishuur per weekte betalen, aan deze stank van lompen en huiden, aan de ratten en muizen, aan de bleke hongergezichtj es der kinderen vooral, komt een gevoel van schaamte over me, niet over me zelf alleen.’ Enkele joodse verenigingen probeerden de armoe in deze buurten te lenigen. De welgestelde joden in Groningen waren er lid van. Ze gaven uit de diepe vroomheid van hun joodse geloof en wilden niet, dat erover gesproken werd.

Op de Nieuwstad heerste diepe armoe, maar geen sociale strijd. De joden daar voelden zich alleen maar arm en begrepen niet, waarom en waarvoor ze zouden moeten vechten. Rood waren ze niet, wel Oranjegezind en deze gezindheid had iets ont-

roerend-echts. Men leze wat Nico Rost meedeelt over Eli Cohen, de meest markante figuur onder deze Oranjeklanten.

Over één familie, de familie Auerhaan Mosje en zijn beide zusters vertelt Nico Rost uitvoerig. Hij kwam vaak bij hen aan huis en hoorde daar veel over de godsdienst en geschiedenis der joden. Vele vrijdagavonden was hij Sjabbesgoj bij hen en vertoefde hij in de wereld van vrome stemming, die door niemand beter beschreven is dan door Heine. Hij leerde er ook een sabbatlied van de in Amsterdam zo bekende rabbijn De Hond. Op die vrijdagavonden heeft Riff ie Auerhaan Nico Rost een diepe eerbied leren koesteren voor de rijkdom van de joodse godsdienst en oude volksverhalen.

In de Folkingestraat was er geen armoe. Daar woonden tientallen kleine neringdoenden, van welke sommigen grote zaken deden.

Een hooglied op het huwelijk

Riffie Auerhaan vertelde aan Nico Rost een oud joods verhaal. Hier is het.

Een man en een vrouw in Zidau waren al tien jaar getrouwd, doch nog altijd waren er geen kinderen gekomen. De man ging toen naar een beroemde rebbe en vroeg, of hij gescheiden kon worden. De rebbe sprak: ‘Je huwelijk is gevierd met een groot feest, je scheiding zal op dezelfde wijze gevierd worden.’ En ze richtten een festijn aan, waarop alle familieleden, vrienden en buren van heinde en ver genodigd werden, en de rebbe bepaalde dat de vrouw na afloop terug moest naar het huis harer ouders, doch het kostbaarste uit haar woning mocht uitkiezen en meenemen. Er werd die avond en die nacht veel gegeten en gedronken en ook de man dronk veel misschien wel omdat hij zo’n verdriet had en viel ten slotte in een diepe slaap. De volgende morgen wist hij eerst niet, waar hij was, toen hij verbaasd merkte, dat hij zich... in het huis van z’n schoonvader bevond. Aarzelend verklaarde zijn vrouw hem, dat ze het kostbaarste wat zich in de woning bevond, had uitgekozen en meegenomen, zoals de rebbe bepaald had... en ze had gevonden, dat dit haar man was. En de man omhelsde zijn vrouw en weer riepen ze alle familieleden en vrienden en buren bij elkaar... voor een tweede bruiloft en wisten niet hoe dankbaar ze de wijze rebbe moesten zijn...

In die straat bevond zich de banketbakkerswinkel van Hildesheim. Die winkel was veel meer dan een bakkerszaak. De grote achterkamer was een centrum van echt joodse vroomheid en cultuur.

Allerlei karakteristieke joodse figuren trekken aan ons voorbij: Frank, die Groninger almanakken verkocht, mal Japie, de schnorrer, die voor hotel Kisch heen en weer scharrelde; Siegfried Polak, die in manufacturen handelde, maar tegelijkertijd literatuur en economie studeerde, die een col-

lectie stalen zat te prijzen, terwijl hij in een deel van Quacks Socialisten las.

Afschuwelijk is wat Nico Rost vertelt over de confectiebedrijven, waar de joden 79 uur en soms 100 uur per week moesten werken, van 4 uur ’s morgens tot 10 uur ’s avonds.

Van Collem schreef voor hen zijn gedicht ‘Voor Groningen’:

Gij bij uw venster nacht-vervaald! Staat allen op, staat op, ej: is ontwaken, kome besef tot u van eigen glorie

en in uw handen tintling van victorie, die moede handen, die de weelde maken.

Was er antisemitisme in Groningen?

Dat was er, al was het er zo verbijsterend nuchter, dat het daardoor z’n agressief karakter wel wat verloor. Maar het was er. Izaak van Hoorn was niet alleen een goed mens, maar ook een voortreffelijk onderwijzer. Nooit heeft hij enige promotie gemaakt en bij zijn afscheid spreekt hij de veelzeggende droeve woorden: Om ‘redenen, u allen wel bekend, heb ik het nooit tot hoofdonderwijzer gebracht.’

Dan volgen 6 bladzijden over de zangeres Julia Gulp en Jozef Israëls. De joden in Groningen vonden Israëls in het begin maar matig. Zo dacht Chaim van Rijn er in elk geval over. Hij liet de gevel van zijn huis schilderen en stond naar het werk te kijken, toen Israëls toevallig voorbijkwam. ‘Kan ik je misschien helpen, Chaim, met die lijst boven de deur?’ vroeg hij aan zijn oude vriend. ‘Wel bedankt. Jozef,’ luidde het antwoord. ‘lk heb liever dat je er af blij ft met je vingers, je kloddert het er anders veel te dik op.’

Ontroerend zijn de 10 bladzijden over de sabbat en de synagoge. Ik zal er niet uit citeren. Het zijn de mooiste bladzijden van het boekje. Alleen dit éne zinnetje geef ik door; ‘Het begin van de vrome sabbatviering in de Folkingestraat is voor mij in later jaren de sleutel geweest tot dieper begrip van de schilderkunst van Mare Chagall.’ Men leze wat Rost vertelt over Reb Chaim, het blazen van de sjofar en Kol Nidrei op de Grote Verzoendag.

En nu?

‘N u zijn de meeste joodse Groningers in Polen een wrede dood gestorven. N u is uit de grote synagoge, eens hun trots, een wasinrichting geworden. N u dampt een ketel op de plek, waar eens de heilige wetsrollen bewaard werden. N u zijn de laatste rabbijnen van Groningen in Bergen-Belsen van honger en uitputting gestorven. N u herinnert op de Nieuwstad en in de Folkingestraat, waar ze eens woonden en werkten ook voor deze stad niets meer aan hen, zelfs geen monument, gesticht door hun medeburgers ter ere hunner nagedachtenis. N u schijnt de heugenis aan de grootste misdaad, ooit in Groningen bedreven, aan de moord op meer dan 3000 ingezetenen, reeds weggevaagd uit de kortstondige herinnering hunner stadgenoten. Maar weer hoor ik de sjofar blazen, nu eens schril en aanklagend, dan weer droevig en medelijdend en plotseling hoor ik voorzanger Vleeschhouwers stem, dit keer fors en nadrukkelijk zeggen: dat de ondeugd haar mond sluite en