is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1861, 01-01-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelte daarvan, en wel van liet Oude Testament, aan mij werd afgestaan. Het andere gedeelte, dat van grooter omvang was, beval ik in het zorgvuldig toezigt van den archivaris aan, terwijl ik den afstand daarvan aan mij, die toen niet mogelijk was, mij bij nadere gelegenheid voorbehield. Dat eerste gedeelte gaf ik, na mijnen terugkeer in het vaderland, in lithographie uit, prijkende met den naam van koning Frederik August, den hoogen beschermer mijner nasporingen. Daar intusschen mijne pogingen tot afstand van de in het klooster achtergeblevene fragmenten geen gevolg hadden, besloot ik ze naauwkeurig af te schrijven en dit afschrift uit te geveu, te welken einde ik in 1853 eene tweede reis naar het Oosten ondernam. Toen ik mij wederom in het klooster bevond, scheen het echter dat de schat intusschen reeds in Europa was aangekomen, weshalve ik bij mijne terugkomst datgene, wat ik reeds in 1844 daarvan had afgeschreven, in een grooter werk, dat aan dergelijk onderzoek gewijd was, inlaschte, met de noodige bijvoegselen en de waarschuwing, dat men den schat, waar deze zich dan ook mogt bevinden, zorgvuldig bewaren zou.

Desniettemin werd ik bij mijzelven aangespoord tot eene derde Oostersche reis, die het mij gelukte, op last van de Bussische regering en onder bijzondere bescherming van den keizer en de keizerin, ten uitvoer te brengen. Toen ik nu, zoo als boven reeds gemeld is, voor de derde maal het Katharina-klooster op den Sinaï bezocht, deed ik den 4den Pebruarij met den prior van het klooster eene wandeling door het gebergte, waarbij ons gesprek over de Grieksche vertaling van het Oude Testament liep. Toen wij tegen den avond van onze wandeling waren teruggekeerd en ons in de cel van den prior bevonden, zeide deze: //Hier heb ik ook een exemplaar van die vertaling," en legde dit, dat in een rooden doek gewonden was, voor zich op tafel. Ik sloeg den doek open, en herkende den lang gezochten schat niet alleen, maar zelfs aanzienlijk vermeerderd, daar bij de fragmenten van het Oude Testament zelfs het geheele Nieuwe Testament gevoegd was.

Mijne waarde vrienden veroorloofden mij de 345.J- foliobladen , die zonder baud waren, naar mijne kamer te nemen. Hier eerst gaf ik mij aan den overweldigenden indruk over,