is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1862, 01-01-1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit raakt hem, dat gy, voor goed geld, goed werk zult geven : Hy is met regt te onvreên, wanneer hem dat ontschiet.

Geloof my: het Verstand komt voor de jaren niet.

En wat's 't gevolg van ons zo vroeg bekend te maken?

Dat wy ons eigen werk in laat're tyden wraken.

Zoo deden geen Neüfvii.le, of "Winters Echtgenoot,

Of van dek Wilp, die ons onlangs haar verzen bood: ,

Zo zal voorzigtigheid, welligt, de Court beletten,

Te vroeg haar voeten in der Schryvren spoor te zetten. Ik twyfel, Gunsteling' der schoon& Melpomeen ,

Of ge ook niet al te vroeg ten treurtoneel' verscheen.

Doch dit zy zo het wil; en wat ook andren wanen,

Begaafde de Lannoy , uw Haarlem kost my tranen :

Wat groot character geeft gy ons in Ripperdal

„Maar Walchren," zegt gy, „en de Mengelzangen?" Ja, Die stukken zyn vry goed, zo als de lieden spreken.

Maar zyn er sclioonheên, o wat zyn er ook gebreken!

Neemt gy 't getuignis van Boileau voor wigtig aan?

Zoek niet ; ik zal het u wel woordlyk doen verstaan.

Oest peu qu'en vn ouvrage, ou les Jautes fourmdlent;

Des traits d esprit semés, de temps en temps, petillent. 't Aandoenlyke, de ziel der Dichtkunst, is er in;

Maar evenwel nogtans, en des al niet te min,

Dit zyn geen verzen van de keurige van Merken.

Daar, kies het beste vers eens zelf uit deze werken,

Er hapert altoos iets , het zy aan styl of taal;

En ('k heb het meer gezegd) wat scliryft gy inegaal!

Gy kunt ons, ik beken 't, doen lagclien en doen schreijen ; (Ik spreek goed rond, goed Zeeuwsch; gy weet, ik kan niet vleij Somtyds is uw penseel los, teer, bevallig, malsch.

Ik vind ook hier en daar wel trekken van Frans Hals. Ja, naar 't getuigenis van vyanden en vrinden,

Is in uw Winterzang Teniers heel klaar te vinden.

Gy hebt iets levendigs; 't ontbrak u nooit aan vuur: Men noemt me, om u, wel eens Dicldresse der Natuur. Zie daar, myn Geest, dien lof hoor ik u meermaals geven. Maar, weet gy wat er schort? — Gy hebt te veel geschreven. Een mensch zou schrikken als hy zulke stapels ziet.

En zo gy, in 't vervolg, het daar by nog maar liet!

Maar neen, dat staat nooit stil; de Herfst is pas verschenen, Eu myn gezelschap met de vreugd van 't veld verdwenen, Als gy ten eersten (of 'slands welvaart daar aan hing)

Weêr naar myn boeken gaat. 't Is waarlyk zonderling!

Gy zyt zo levend, en gy vindt uw grootst behagen In zulk een doodschen trant van leven; heele dagen Brengt gy in eenzaamheid ten avonde; gy voegt U niet slechts naar myn lot, maar leeft dus vergenoegd. Is 't wonder? (zegt gy) 'k heb altoos myn bezigheden; De dagen vliegen, als men die weet te besteden.