is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1862, 01-01-1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zond om ie leeren. Twee van deze vertrokken naar Friesland, waar zij, onder meer anderen, zekeren Obbe Philips doopten en tevens door oplegging der handen tot leeraar aanstelden. Menno Simons, naar wieu de Doopsgezinden sedert Mennonieten en Menisten genoemd zijn, is door dezen zelfden Obbe tot leeraar aangesteld. Docli dit gebeurde later.

Met de dweepzieke woelingen te Munster werd het tijdvak van fanatismus en ruwheid in de geschiedenis der üderdoopers gesloten, en eene nieuwe periode breekt daarin aan met het optreden van de gebroeders Obbe en Dirk Philips, en daarna van Menno Simons (in 1496 te Witmarsum in Friesland geboren , waar hij eenigen tijd pastoor bij de 11. K. gemeente was), van wien wij zoo even reeds geproken hebben. Deze mannen werden de hervormers onder de Wederdoopers, bij wie zich voor het overige ook altijd anderen hebben bevonden, voor wie het streven tot omverwerping van het bestaande een gruwel was geweest, en die een leven eischten, dat zich gestreng naar#het Evangelie rigtte. Even als Menno had ook Obbe Philips de schandelijkheden te Munster ten strengste afgekeurd. Deze Obbe, vroeger Katholiek priester te Leeuwarden, was in 1534 een hoofd der Wederdoopers geworden. Onder voortdurend levensgevaar, doch met bezonnen ijver, gelukte het aan Menno de verstrooide leden van zijne partij bijeen te zamelen, en in de Nederlanden, in de zeesteden van Noord-Duitschland, en voorts in Pruissen , gemeenten te stichten. Hij noemde de leden zijner partij slechts Gemeente Gods, Ellendige, iveerlooze Christenen en Broeders, terwijl zij later naar hem Mennonieten werden geheeten, doch tegenwoordig zich Doopsgezinden noemen, welke twee laatste namen eerst na 1570 voorkomen.

Menno heeft verscheidene werken uitgegeven: eene onvolledige verzameling daarvan zag in 1G00 voor het eerst het licht; meer volledige verzamelingen er van werden uitgegeven in 1646 en 1681. In eene verhandeling, getiteld Fundament en klare aanwijzing van de zalig makende leer van Jezus Christus, heeft Menno de grondbeginselen van zijn leerbegrip opgegeven. Ilij dringt daarbij aan om de leer der Heilige Schrift eenvoudig en geloovig aan te nemen en stiptehjk op te volgen, i^ijue partij verwerpt den eed, den oorlog en alle soort van wraak; ook de echtschei-