is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1861, 01-01-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uw zondagsgewaad aan, en stapt naar Zwolle — waar men zich om uw eenvoudig kleed niet bekommeren zal, daar dit juist bij het geheim der zaak voegzaam zal voorkomen; gij handelt daar als gevolmagtigde van den bisschop, en zwijgt van de persoonsverwisseling, die toch niets in de zaak verandert. Ik twijfel niet, of uwe schranderheid zal u doen slagen, en ik zal in het Wijnvat uwe terugkomst afwachten. En hierbij blijft het — of ik houd u voor een ondankbare !" — // Neen, bij mijne zaligheid, dat ben ik niet, meester!" antwoordde Timen: // liever dan ondankbaar te schijnen, zal ik de zonderlinge zending op mij nemen, daar gij het toch wilt; maar de ongelegenheden, die uit deze persoonsverwisseling kunnen voortvloeijen, zullen mijne schuld niet zijn." — // Ik neem alles voor mijne verantwoording," antwoordde Mabuse; //en waaneer gij slaagt, zal het uwe schade niet wezen."

Den volgenden dag begaf Timen zich werkelijk naar Zwolle en meldde zich bij den magistraat aan als gevolmagtigde van den bisschop. Hij werd met blijdschap ontvangen, en had verscheidene geheime bijeenkomsten met gecommitteerden uit de stadsregering, waarin hij m zooveel helderheid en overtuigende gronden het belang der stad in het licht stelde om ten spoedigste de bezetting te verdrijven en zich niet den bisschop te verzoenen, dat hiertoe met algemeene stemmen besloten werd. Niemand der raadsleden kende hem, en zijn eenvoudig gewaad beschouwde men als een gepast middel om verborgen te blijven.

Timen had in eene kleine herberg in de Diesertraat zijnen intrek genomen. Daar zat hij , in den avond van den tweeden dag na zijne aankomst, bij eene lamp. Hij las de punten na, waarin hij met de regering was overeengekomen. Er werd zacht aan de deur geklopt, waarop hij dadelijk opstond en twee achtbare en deftig gekleede personen liet binnentreden.

//Mijneheerenzeide Timen, nadat hij elk een stoel gegeven had, //ik achtte het raadzaam ulieden hier te ontvangen; als ik dikwijls op het stadhuis of aan uwe woningen kwam, mogt dit een kwaad vermoeden wekken." — //Uwe voorzigtigheid verheugt ons, mijnheer!" antwoordde een der magistraten; //wij hebben zelve daarbij het grootste belang; want als onze onderhandelingen ontdekt wierden, zouden ze