is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1861, 01-01-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geland is het een zeer gewone drank, te meer, daar het fabriceren van cider het hoofdbedrijf in eenige graafschappen uitmaakt. Op blz. 83 is de kans, die Robert zou hebben om officier bij het Limburgsche contigent te worden, zeer onduidelijk gemotiveerd; want hij was niet als kadet op de militaire akademie geweest, en ook niet in werkelijke dienst, na afgelegd examen, tot den luitenants-rang bevorderd. Men ziet, dat de bewerker hier heeft te kampen gehad met den gang van zaken in het oorspronkelijke; in Engeland toch behoeft men den officiers-rang maar te koopen, terwijl men er bij ons alleen langs den voorgeschreven weg van studie toe geraken kan. Ook op blz. 90 wordt men aan eene Eugelsche eigenaardigheid herinnerd. //O," zegt een der personen, // vroeger was ik geen baron van Breedensteyn. Mijn vader leefde toen nog, en ik was jonker Beerts." Wij kennen eene dergelijke opvolging en wisseling van titels niet, als bij de Engelsche pairs. De oudste zoon van den hertog van Wellington — om maar een historisch voorbeeld te noemen — heette markies van Douro, en de familienaam was Wellesley; doch bij ons zou de zoon van een hertog van Wellington ook Wellington hebben geheeten, en dit Wellingion zou dan de familienaam, geen afzonderlijke titel zijn geweest. Op blz. 207 verneemt men, dat Leonard Sonsberg gevlugt is met een meisje, waarmede zijne ouders hem niet willen toestaan te huwen; na eenigen tijd keeren zij terug als man en vrouw. Uitmuntend te Londen, alwaar men een license in Doctors'' Commons gaat halen tegen contante betaling, en daarop de eerste de beste kerk binnenloopt, om zich met zijne geliefde in den echt te doen verbinden; doch onmogelijk in ons land, waar men driemaal de afkondiging der geboden, benevens de ouderlijke toestemming of eene acte van eerbied, noodig heeft.

De herbergophobie is in de Sonslergen tot het uiterste gedreven en grenst aan het belagchelijke. Van Hilversum wordt ons verteld, dat er ik weet niet hoeveel herbergen en dan nog koffijhuizen zijn. Wanneer men het tooneel te Hilversum plaatst, moet men ons ook in staat stellen te gelooven, dat het werkelijk te Hilversum voorvalt. En ook in dit opzigt wordt de locale kleur, die de bewerker aan zijn boek heeft trachten te geven, geheel bedorven door