is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1861, 01-01-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

illussie bederven, en weerhouden er ons dus van, om nog slechts in het algemeen op te merken, met welk eene meesterlijke hand de schrijfster hare karakters heeft geschetst. Daar hebt gij Onkel Mos, die ook al veel beter is, dan hij zelf weet of anderen gelooveu, welk een zonderling en toch waarlijk niet zeldzaam mengsel van egoïsme , van eigenzinnigheid en medegevoel voor anderen! Hij is kluchtig in zijne altoosdurende onderstellingen, zoowel als in zijn herhaald // wegloopen," wanneer hij vreest dat zijne vrouw of dochter de overwinning op hem zullen behalen, of hem zullen brengen tot dingen, die hij met dure eeden bezworen heeft nimmer te zullen doen. Daar hebt gij vervolgens Goedmar Guldbransson, wiens pligt en eergevoel zoo luide spreekt, dat hij zelfs de vurigste wensch zijns levens, het bezit zijner Maiken, opoffert, wanneer dat slechts verkregen kan worden door ontrouw aan hetgeen hij zijn pligt en zijne roeping acht. Daar hebt gij den ellendigen , eerloozen Holt, door lagen hartstogt vervoerd tot eene snoodheid zonder wedergade, doch ook zelf rampzalige vruchten plukkende van zijn wangedrag. Maar —

om van meer aangename en betere dingen te spreken

daar hebt gij de eerwaardige oudjes van de TJilenklip, wier vriendschap voor elkander even treffend, als hunne eenvoudige , natuurlijke godsdienst roerend is. Dat onbepaalde, hartelijke, ongekunstelde vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid , die voor hen zorgt niet alleen, maar hen ook in staat stelt om anderen wel te doen , en die hun den weg aanwijst welken zij in moeijelijke en twijfelachtige omstandigheden te bewandelen hebben, — voorwaar, al behooren zij juist niet tot de hoofdpersonen des verhaals, om hunnentwille alleen is toch het boek der lezing overwaard, en meni^ woord, door hen in hunne eenvoudigheid gesproken, zal op den lezer dieper indruk maken dan de sierlijkste rede van den meest gevierden predikant.

Wij willen hiermede ons verslag eindigen. Het was kort, onvolledig en oppervlakkig; maar wij zouden te uitvoerig worden, wanneer wij aanspraak wilden maken op volledigheid. Ons doel was dan ook maar alleen de aandacht te vestigen op dezen voortreffelijken roman. Daartoe moge dit korte woord voldoende zijn. Wij vreezen niet, dat men ons beschuldigen zal van met te groote ingenomenheid gespro-