is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1861, 01-01-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijner middelen, als in de wijze, waarop hij ze aangewend wil zien, bij uitstek goed is geslaagd.

Met eene niets ontziende waarheidsliefde, die soms aan het vermetele, — met eene scherpte, die wel eens aan het bittere grenst — snijdt en kerft hij in de verkeerdheden der menschen, zoowel als in de verkeerdheden der geneeskundige maatschappij. Zijne leuze is: //Wat het mes niet geneest, geneest het vuur." En toch, bij al die niets ontziende gestrengheid, die de dingen noemt bij haren naam en voor geen maatschappelijk gezag terugdeinst, worden wij hier en daar getroffen door eene groote mate van gemoedelijkheid, die het goede hart van den schrijver eer aandoet.

Tot nog toe zeiden wij echter niets van den stijl; en dezen vinden wij niet alleen geschikt om aan den arbeid van den heer Erantz litterarische waarde bij te zetten, maar vooral ook om een boek als dit, dat uit den aard der zaak in een droogen didactischen stijl zoude kunnen geschreven zijn, zonder er minder praktisch nut om te hebben, met waar genoegen te doen lezen, zelfs door het minder wetenschappelijk publiek. Wij meenen dit het best te kunnen aantoonen, door een paar bladzijden uit het werk over te schrijven.

Nadat de schrijver, in zijn hoofdstuk over het zedelijk gevoel, in eene vergelijking is getreden tusschen de moreele ontwikkeling der classische oudheid en van het heden, gaat hij op bladz. 53 aldus voort:

//Wat is het heden?

// Het heden is eene parodie, eene gigantische parodie der deugd!

//Aanschouwt haar toch, uwe deugd, Europa!

//Zie, bovenaan staat de Christenstaat bij uitnemendheid, de kerk van den Christus der liefde, van den Christus des behouds, die met de haar geschonkene kanonnen — voorwaar een haar waardig geschenk ! — hare eigene kinderen heeft gedood, omdat zij niet kunnen begrijpen, dat de stedehouder van Hem, die bekende: //Mijn koningrijk is niet van deze wereld," een aardsch koningrijk moet bezitten en aardschen luister moet ten toon stellen, terwijl zijn goddelijke Voorganger niets had, waarop Hij zijn hoofd kon nederleggen.

// In het Zuiden en het Oosten steunden zoo even nog kannibaalsche wreedheid en godtergende liefdeloosheid, als