is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slag kwam, liet zij met reuzenkracht het moordende ijzer juist midden tusschen zijne vonkelende oogen nederzinken. De vreeselijke slag sneed door den kop henen, en het ijzer sloeg nog op den bevroren grond terug; het dier Blaakte een kreet, die door merg en been drong, en blies toen stuiptrekkend , aan hare voeten, den adem uit. Margareta rigtte zich snel weder omhoog en hief de bijl andermaal boven haar hoofd. Het was noodig; want de oude wolvin, die reeds digt bij den zoom van het woud was aangekomen, wendde bij den kreet van haar jong den kop om, en keerde met den tweeden kleinen wolf in weinige sprongen terug. Toen zij het doode jong op den grond zag, en zijn bloed over de sneeuw stroomen, hief zij een jammerlijk gehuil aan en wilde op Margareta toespringen — daar zag zij echter in het wijd opengesperde oog van het meisje, zij zag de blanke bijl boven haar hoofd in den glans der maan glinsteren, die door de takken van den boom scheen. Lafhartig sprong zij terug, maar spoedig kwam zij weder nader, langzaam voet voor voet verzettende, om het oogenblik van den sprong te berekenen. Het nog levende jong kroop haar angstig na. Zóó rukte het roofdier tot digt bij het meisje voorwaarts, maar eer het onder het bereik van het wapen kwam, bleef het staan, ging toen op de achterpooten zitten, en jaagde de sneeuw met zijn kwispelenden staart op, geduldig afwachtende, dat Margareta met de oogen zou pinken, of van vermoeijenis de armen moest laten zakken.

Zóó stonden zij tegenover elkander — de beide doodvijandinnen : de moeder van den jongen wolf, om den moord van haar kind te wreken, de menschelijke moeder, om het hare den heildrank des levens te verzekeren. Hoe lang deze verschrikkelijke oogenblikken duurden, wist Margareta niet. Haar denkvermogen stond stil, en zij hield slechts in het diepst harer ziel den wil vast, om het regte oogenblik van den slag niet te verzuimen. Maar reeds bedekte het klamme zweet der uitputting haar voorhoofd, hare voeten beefden onder den last des ligchaams, hare armen werden stijf door de inspanning, waarmede zij de zware bijl omhoog hield, en voor hare oogen wemelden op de verblindende sneeuw reeds alle kleuren van den regenboog. Zij waande zich verloren.

Daar was het alsof aan de plek, waar de zoom van het