is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1862, 01-01-1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt men het bezwaar, dat men zoo ligt een vloed van woorden voortbrengt zonder iets degelijks te zeggen — de evangeliedienaar, die werkzaam blijft, gezet leest, nadenkt, onderzoekt, en zóó zijnen geest altijd doet bezig zijn, zal op die klip niet ligt verzeilen. — Na al deze voordeelen te hebben ontwikkeld en ze met een woord van Dinouart te hebben besloten, gaat hij over tot het:

Tweede hoofdstuk, waarin datgeen wordt aangevoerd, wat tegen het improviseren op den predikstoel pleit. Allereerst merkt hij op, dat de meeste bezwaren worden gerigt tegen het uitsluitend improviseren, of van de veronderstelling uitgaan, dat improviseren bestaat in geheel onvoorbereid spreken. Intussehen is noch het een noch het ander met improviseren bedoeld. Dit betreft niet de vraag wat, maar7«oe men prediken zal. — Yoorts laat hij de getuigenissen van voor- en tegenstanders spreken, ten einde hunne gronden met onpartijdigheid te wegen. De bezwaren gelden dan vooreerst den stijl (bl. 39), die bij de improvisatie arm wordt, zonder tooi en slordig, met één woord: aanstootelijk voor hoorders, die eenige smaak, eenig gevoel voor het sehoone hebben. Dit bezwaar wordt op vrij voldoende wijze weêrlegd. In tweederlei opzigt dwalen zij, die dit bezwaar opperen: Vooreerst hechten zij al te groot gewigt aan gebreken, die alleen den stijl betreffen, — en ten tweede nemen zij aan, dat die gebreken volstrekt onvermijdelijk zijn. Het tweede bezwaar is: gemis van orde en zamenhang, verwarring, en wat men zou kunnen noemen een springen van den hak op den tak (bl. 42). Door oefening wordt dit bezwaar overwonnen, evenzeer als dorheid, armoede, herhalingszucht, welke aan deze methode verweten worden. Zoo ook is het met traagheid en gemakzucht, die er door bevorderd kunnen worden. Dit geldt als bezwaar slechts bij hen , die geen besef hebben van hunne gewigtige roeping. Doch men zegt ten 3e; niet ieder heeft de gave der improvisatie, en voor zulk een is het een ijdel pogen, om zich die gave eigen te maken." Antwoord: dat men ze aanvankelijk niet heeft, is meer tot voordeel dan tot nadeel, — en door oefening wordt men haar buiten twijfel deelachtig. Ook mag men niet voorbijzien , dat de evangelieprediker geen volleerd redenaar behoeft to zijn, in het bezit van al die gaveu en ta-