is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

generaal, de uitbarsting voorziende, zijne eer niet wilde wagen aan onzekere straatgevechten. Hij had niet meer dan zestienhonderd man te zijner beschikking; en kon hij op allen vertrouwen, daar hij onder zijne troepen zoo vele Pruisen en Zwitsers telde, die bijkans gedwongen den adelaar dienden? Wat daarvan zij, voordat de in den Haag verbondenen konden spreken, liet zich het Amsterdamsch gepeupel hooren.

Zoo eene stad, behalve Haarlem en Leiden, in de jaren der verdrukking geleden had, was het Amsterdam, waar klein en groot van den handel leeft, die den eenen goud in den schoot werpt, en den ander het dagelijksch brood in den mond en zweet op het gelaat geeft. Die nog goud bezat uit vroeger tijd, liet het onaangeroerd liggen; maar die er voor werken moest, liep broodeloos. Het eene huis na het andere — gelukkig nog in de mindere wijken — werd gesloopt, en binnen enkele jaren was de bevolking der stad met meer dan dertigduizend koppen verminderd. De trotsche koopstad scheen de ijle laag op het T te zullen volgen, waar enkele Noordsche houtfluiten lagen te vermolmen.

De maandag was drok en woelig in de stad; des avonds werd het roeriger. Men zag troepen van mannen en vrouwen en jongens, die het uitschaterden wat zij jaren lang in den boezem had moeten smoren. Het // Oranje boven!" galmde door de straten, en de geliefde kleur sierde hoed of borst en arm. Het was of dat verboden Oranjelint uit den hemel kwam vallen; maar menig vader had het bijkans negentien jaren lang voor zijne kinderen tot een erfgoed bewaard.

Bij het toenemen der duisternis wakkerde de luidruchtigheid aan, en het verguisde en verschopte volk ging een offervuur ontsteken, waarbij het joelen en jubelen kon naar hartelust. Ter eere van het Amsterdamsche graauw in 1813 moet getuigd worden, dat het geen bloed vroeg, en ook geen wraak nam op hunne stadgenooten, die de Franschen hadden ingehaald. Men mogt nog den ouden deun doen hooren: //de Keezen onder!" het was maar een klank, die zijnen inhoud verloren had; want allen waren met gelijken haat bezield tegen den gevloekten adelaar. Br was zelfs niemand, die er ernstig aan dacht om den wreedaard uit de Doelenstraat loon naar werken te geven.