is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren had vergeten, mij het eenvoudig roastbeef en een zuiver glas medoc beter smaakten; maar bij gezelligen avondkout eene enkele flesch goede wijn te savoureren, was mij nimmer verwerpelijk, en daar mijn vriend hierover even zoo dacht als ik, aanvaardde ik met genoegen de uitnoodiging, en begaf mij op den bepaalden avond te zijnent.

//Wel nu!" sprak mijn vriend, nadat wij eene lekkere havanah hadden aangestoken, //gij zoudt mij een verhaal leveren, ten gevolge van ons gesprek over Yon G-eilbauer." — //Ja, hoe is het intusschen met hem?" — //Och, zoo als ik u zeide: de eene ƒ 100,000 is marsch; papa wil niet bijspringen, en nu zal de vrouws-familie ƒ 100,000 opofferen. Het batig saldo, dat teregt komt, zal ƒ 50,000 bedragen, en dan zal men voor 50 pCt. een accoord voor hem zien te sluiten en hij trachten zich met de behouden halve ton in eene industrieele zaak te werpen, onder reserve om, wanneer hij weder in bonis geraakt, zijne crediteuren te gemoet te komen. De meesten nemen hier genoegen mede, omdat zij, en consideratie gebruiken, en weten, dat als papa sterft, hij in staat zal zijn aan zijne belofte te voldoen. Faillissementen zijn steeds de zwakke magen in den handel, en gelukkig, als er aromatische middelen kunnen worden aangewend, die de spijsvertering gaande houden, totdat de eetlust is hersteld. Onder eerlijke lieden is het niets; want ieder kantoor heeft toch in zijne boekhouding eene rekening van winst en verlies, en minder hatelijk is het, dat men een in zijne eerlijke speculatiën teleurgesteld handelaar uitzigten op redres levert door middel van het hem of zijne vrouw ten laatste toekomende ouderlijk vermogen, dan dat een losbol roekeloos dat vermogen verkwist, bevorens hij er nog bezitter van is. Maar nu eene geschiedenis!

// Nomina sunt odiosa. Ik zal dus den held van mijn verhaal, ofschoon slechts een bekende uit vroegeren tijd, maar //mijn vriend" noemen, omdat er nog familie van hem in leven is. Mijn vriend nu werd in den handel zijns vaders opgeleid; deze was een gestreng man, die voor zichzelven en zijne zaken leefde. Had hij zijnen zoon in de conversatie van zijnen stand gebragt, dan ware deze in aanraking gekomen met de dochters van andere gevestigde huizen en had hij, de zoon, welügt daaronder een