is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Russen lieten nu het verder onderzoek aan mij over. Eerst den volgenden dag moest de uitlevering geschieden, en daar ik in Rusland, ten minste voor's hands, niets meer te doen had, keerde ik over de grenzen terug, doch wilde in de nabijheid er van blijven; vooreerst om niet tot het ontvangen van het lijk een weg van zeven mijlen heen en zeven mijlen terug af te leggen — zoo ver was mijn ambtszetel gelegen; ten anderen kon ik slechts in de nabijheid van de grenzen en de misdaad op nadere inlichting omtrent deze rekenen. Ik reed derhalve met mijn gevolg naar het eerste het beste boerendorp aan de Pruissische zijde. Mijnen geleider scherpte ik herhaalde malen in, om over den moord het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en er zich ook niet over uit te laten, wanneer andere lieden zeiden er van gehoord te hebben.

Wij bereikten, eene halve mijl verderop, een jammerlijk boerendorp, en daarin eene ellendige herberg. De dag neigde ten ondergang. Ik zag in de verschrikkelijke Litthauer herberg een zeer verschrikkelijken avond met tabaksdwalm, zuur bier, oude haring en oudbakken brood te gemoet. Daar kwam op eens eene koets met twee flinke bruintjes aanrijden, en hield voor de herberg stil. Ik kende haar. Een deftig, welgevoed heer trad de gelagkamer binnen. Alles aan hem droeg blijken van goed eten, goed drinken en goede luim. Zoo zien er slechts welgevoede ambtenaren uit; en hij was controleur bij de accijnzen, de controleur Kleman, die met mij in de zelfde stad woonde en mijn goede vriend was. Ik verschrikte bijna, toen ik hem hier zag.

//Vriend! gij in deze herberg? Welk ongeluk heeft u herwaarts gedreven?" — //Ongeluk? zeide hij. //Ik rijd immers naar eene voorbruiloft ? 11 ij was bij deze woorden ernstig gebleven, in weerwil van het antwoord en zijne goede luim. //Maar gij? hoe komt gij hier?" vroeg hij niet zonder verbazing. — //Ik kom van een moord." — //Ja, van moord tot diefstal, van diefstal weder tot moord, dat is uw beroep." — //En ditmaal zou ik u van dit beroep wel deelgenoot willen maken." — //Om 's Hemels wil, wat hebben accijnzen op het geslagt en gemaal met moord en doodslag te doen?" — //Somwijlen misschien toch; gij hebt immers ook met smokkelaars te doen?" — //Ja, maar slechts