Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3274

WETS-ONTWERP TOT VASTSTELLING DER J da

BEGROOTING WEGENS DEN ARBEID DER °n

GEVANGENEN VOOR 1871. L£

In de zitting van do Eerste Kamer der Staten-Generaal van 24 j December 11. is de beraadslaging over dat ontwerp gehouden.

De heer bob Lilaar, minister van Justitie: Mijnheer de Voorzitter, ba blijkens het eindverslag draagt de nieuwe regeling van het arbeidsloon zo in de gevangenissen de algemeene goedkeuring dezer Kanier met weg, en wordt zij door sommige leden onbillijk geacht. De oorzaak hiervan on ligt waarschijnlijk in de mindere bekendheid met die regeling, kc Men meent, dat, wanneer de belooning der gevangenen per dag wordt he berekend, de trage en slechte werker evenveel zal verdienen iüs sp de ijverige, die zijn ambacht goed verstaat. Dit is het geval met. De in arbeid is ingedeeld in twee hoofdsoorten: i". zware en kunstmatige • arbeid ; 2°. gewone arbeid. Voor elke dezer hoofdsoorten zijn vijf klas- cl sen , zoodat de meest werkzame en kundige in de hoogste , de trage en de leerling inde laagste klasse komt. Door deze indeeling zal nij, die zwaren of kunstmatigen arbeid verrigt, hooger loon verdienen zij dan hij, die met gewonen arbeid wordt bezig gehouden ; do ijverige en vc kundige meer dan de trage en niet kundige, Bovendien heeft liet bstalen en bij dagloon , behalve dat het eene groote vereenvoudiging in de admi- re nistratie daarstelt, zeer veel voor boven het betalen per stuk.

De eerste grond daarvoor staat in verband met het onderw ijs. Tot i heden maakte de gevangene in den regel bezwaar om zich ter school nc te begeven, omdat hij , gedurende den tijd, welken hij in de school sli doorbragt, niet kunnende arbeiden, en hij per taak betaald wordende, w eenige centen per dag minder verdiende dan hij , die de school niet 1 or bezocht. Thans , nu het onderwijs in de gevangenissen beter geregeld ds wordt dan tot heden het geval was, moet de gevangene ook aange- st moedigd worden daarvan gebruik te maken. Wordt hem zijn arbeid w per dagloon betaald , onverschillig of hij het onderwijs bijwoont ot et niet, dan zal hij dit met meer lust bijwonen. P'

Dit is echter nog een gering voordeel in vergelijking van het o' tweede, dat namelijk door betaling per dagloon groote misbruiken V gekeerd zullen worden. Het betalen per taak toch had niet ten ge- I rr volge, dat zij , die de grootste en beste taak afgewerkt hadden , altijd 1 b zelve het loon daarvoor beurden. De meest knappe en werkzame I voegde , helaas, maar al te dikwijls zijn meerderen arbeid toe aan 1 g den slechten werkman, in betaling voor aan hem door dezen bewezen I v ongeoorloofde diensten.

De beraadslaging wordt omsloten. I r

lstelling der begrooting wegens den arbeid I v , in stemming gebragt, wordt met alge- I Y

i i

* i

i a

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN. c

" 1 \

Raadkamer van den 30 Junij 18c9. i c

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden. I t

Instructie tegen een lid eener Arrond.-regtba.nk. Raadsheer- i ; commissaris. — Regtsweioerino.—aanmaningen. Voorzitter i j eener ARRUND.-reGTBANK. SdPERIEÜR.

Maakt art. 185 C. P. onderscheid, tusschen weigering om in eene J voor andere regters aanhangige zaak zitting te nemen en om in eene voor hem aanhangige zaak te beslissen? —- Neen.

Kan of behoeft de vordering of requisitie, bij dat artikel bedoeld, op dezelfde wijze gedaan te worden als de aanmaningen, in ai . | 845 ti. li. voorgeschreven > — Neen. . , I

Is, in den zin van art. Ib5 C. P., de voorzitter eener Arrond.Regtbank de superieur , daar bedjeldf — Jn.

De adv.-gen. Romer heeft in deze zaak do volgende conclusie ge- i nomen :

Edel Hoog Achtbare Beeren, President en Raden 1 Het is thans I voor de tweede maal, dat ik de eer heb aan den Hoogen Raad over I te leggen de stukken van het geding, gevoerd tegen den heer M., I resrter in de Arrond.-Regtbank te li., ter zake van regtsweigering. I

Ten gevolge van 's Raads arrest van den 19 April jl. ^cek. n° 3273 Ned. Regtspr., d. XCI, bl. 350) is door het Hof in Zuidholland eén raadsheer-commissaris benoemd, door wien de \ ooi loop.ge

informatiën zijn ingewonnen. „nnrnnemd

Na den afloop daarvan is door den heer Foc.-gen. bij voornoemd

Geregtshof geretireerd regts-ingang, met bevel tot dag'

persoon. Bij arrest van den 2 Junij 1869 heeft het I o nn(ien

gevraagden regts-ingang geweigerd en verklaard, dat er geene g |

zijn om ten deze voort te procederen. Dat arrest berust ge ee J I dezelfde gronden als de vroegere uitspraak: namelijk dat, da.irge a. i de vraag, of de weigering van den regter om zitting te nemen in i eene zaak, voor andere regters aanhangig gemaakt, als regtsweigering | kan worden beschouwd, in casu niet blijkt, dat de aanmaningen e I ben plaats gehad, bedoeld in art. 8 45 13. K., en dat ook geene aanmaning van een superieur in deze zaak heeft plaats gehad of kon geschie en, omdat een regter in Nederland geene superieuren heeft of hebben kan , en de voorzitter van een regter lijk collegie niet is de superieur der leden , maar de eerste onder zijns gelijken. . I

Die gronden zijn reeds vroeger breedvoerig behandeld in de memorie I van den heer proc.-gen.; en ook nu heeft gemelde ambtenaar gemeend I daarin niet te mogen berusten. Op den 3 Junij jl. toch is tegen dat 1 arrest door den heer proc.-gen. cassatie aangeteekend, en ook op den 8 Junij daaraanvolgende eene memorie ingediend, waarbij, onder referte aan de vroeger ingediende memorie, de gronden nog kortelijk worden wederlegd en tevens aangetoond, dat de voorziening in cassatie | teger. dergelijke uitspraak ontvankelijk is, ofschoon, volgens art. 263 | Strafvord., geen verzet is toegelaten.

Met de memorie van cassatie kan ik mij geheel vereenigen; en ik geloof mij daaraan en aan de vroeger in deze zaak genomen conclusie te mogen refereren. ^

Ik heb al zoo, onder overlegging der stukken van deze procedure, de eer namens den heer proc.-gen., te concluderen tot vernietiging van hét arrest, door het Prov. Geregtshof in Zuidholland in deze zaak in raadkamer gewezen; en dat de Kaad, doende wat het Hof had behooren te doen, alsnog zal verleenen regts-ingang tegen den verdachte, ter zake van het feit, in het arrest omschreven, met bevel tot dagvaarding in persoon en instructie; de kosten, ten dezo gevallen, te dragen door den Staat.

De Hooge Raad, in raadkamer vergaderd,

Gezien de memorie, waarbij als middel van cassatie wordt voorgesteld: schending en verkeerde toepassing van art. 1 i>. 'a^eg; , art. 844 B. R., de artt. 12, 14, 19, -'<0 en 53 R. O., de artt. 24, 22 25 , 29 , 31 en 34 van het reglement betreffende de wijze van eeds-aflegging enz. der onderscheiden regterlijke ambtenaren, in verband met het Kon. besluit van den 14 Sept. 1833 (S(i/. n . 36;, ... l:i j:* - 1 *■ ii- <-»^vQ/-IrraL*onrrt on nrt. 19 ïv. O.J

waaroij uu iegieuicut ia ~ ~ ~ , . „

r> aat kinkpns het beklaagde arrest, door den ver

KSUC! U/CL/G/lttC. , ««.u , «««J O

dachte, in zijne hoedanigheid van lid der Arrond.-Regtbank te b., om daarvoor door hem aangevoerde redenon , is geweigerd, met om op eenig aan hem ingediend verzoekschrift te beschikken, of een ook voor hem aanhangig regtsgeding, waarin hij dus als regter zitting had , te helpen beslissen , maar om in een regtsgeding, voor andere leden der llegtbank aanhangig, waarin hij tot dusver geene zitting had, zitting te nemen, gelijk van hem door den voorzitter dor Kegtbanic werd verlangd, omdat een der over die zaak zittende regters zonder wettige redenen afwezig was en bleef;

0. dat volgens het Hof, indien al de weigering van eenen regter

Wo» oonhonrr! rrn ion Ir ttif.t.inor t.fi nemCH ,

om in eene vuui anuwc """"""n's- ~—- - «

kon o-ezeo-d worden gelijk te staan met eene weigering om eene voor

ö ? . t i . i- • o«4 Ti 1? <YP.

hem aanhangige zaaK te Desusseu, waarvan iu au,. o-***

I . -1*. A „Nrnranc in rlan vin rïor* narnt. rPO1! fs\Vfiiferin£?

sprosen woruu, -UUU iiug, «... o "

in een burgerlijk geding bestaat, van de aanmaningen, in art. 845

_ i , ,i t «• t_ 1 U C „"U „i. ......l «inf ic • o»l f] O t.

13. k. vermeiu, moet onjKen, ueugcen mei uui, ^cvui mcu —

. .1 ... ... l::l, .•Qr^fowoIrro.Mr.m. ta rlnon in de

aaarennoven, en vuuriutiiieiyiw iv.^io"wgviu^

bopalinf van art. 185 Strafregt, daaraan eene waarschuwing of aan-

f " . . _ i . : l~ tP

maning van den superieur van iiem, uie rugt uo.iwwa. ^

r liioi* nlmoiip. Inpf: orA\rnl nifit IS . daar de

zijn vuuraigegaan , — »

.Vi.- orvllAO-ip. -nipi. i« rto cnnp.rifiiir dfil' leden ,

voorzitter van ecu --r — .

. „ . I rtrtlr olloor» im orlminlctratiovo P.n TllP.t OD

en art. ioo voornoumu u«u ^ ttuiuiuwmm.v.w k

-iro»-» fnpnassinc* y.nii 7;iin •

regLeriij^e auiui nuicu -j-» _

0. te dien aanzien , dat de vooropgezette onderscheiding tusschen weigering om in eene voor andere regters aanhangige zaak zitting ts

nemen en ■weigenu^ out ■—

.• • pn tPO-Pn <ln in rl«7P incrPronnP.n Strai-

SllSSen , IS ICU ccucuiaiö t.v*i* ^ !

I .1 1 r-, e T» voiïtenroi rroVI11CT

wet, vermits toen art. ion Vy. x. gwwBBm van auc ,

i . ■ ,1 „ „U: ï «nr-fnlilo vnnrwQordnn in hpf nlaP.ITlP.Pn . en

onaer eenige uaaiuy - - ,

dat die, bij vervulling dier voorwaarden, evenzeer bestaat bij vol¬

standige weigering om in een uoiwus aanaan^ig c.i

•• ,rarlirtf» 'zittinO' P.n P.r IrPTITlia VflTl t.ft Tiemeil . alS Om

wijzen ie ujciigcu -- — ~ '

een reeds vroeger voor den weigerachtige aanhangig geding te hel-

pen beslissen; oat in ue/.e gco»^ 10 van

• , i l. : hnriïM'liito »r>r»f airmvlpvin nr t.nt SP.liafle-

over uitsiuicenu met " 0

_.i: —1,^ «.rtVionrlplrl WArfït. in «avf pn vnlo\ 13. li..

vercoeain^ te aiei au*.* - ^ -

. n l ■ : ~ ™ r.tvnfhoQl' rrocfplfl

maar van de straivoraering icgiowcigcnus ,

Cl. r* 1. . /-lot ilaovnm ris* ,~,rr vpnilisit.ift. Hl

DIJ art. IOJ — rs p

dat laatste artikel bedoeld, niet op dezelfde wijze kan of behoett gedaan te worden als de aanmaningen, in art. 845 B. R. voorgeschre. a„*. /ion r/in van art. 185 f. P. dn voorzitter eener

ven ; uat m - - ■, —

Arrond.-Reptbank is de superieur, daar bedoeld, naardien hem niet

. , .. . . j ,lr»nr Hpn

aueen is opgeura^en uij —, 0~ ,

retj. van cassatie aangehaald, de handhaving der orde en de zorg voor de regelmatige behandeling van zaken bij zijne Regtbank, maar

-i -. -P i 31—: ,1 5n Troi'lppnrl r\m n irr \vn n rSP.VlIl win -

nem ook de devoeguueiu — (j)

gen aan do regters te doen. bepaaldelijk bij verwaarloozing van hunne ^ ambtsbezigheden; en dat verder ook de bij het beklaagde arrest aangenomen toepasselijkheid van art. 185 Strafregt alleen en uitsluitend op administratieve autoriteiten aandruiseht zoowel tegen de woorden -allo regter of geregt» (toat juge ou tribunal) als tegen het bepaald vercischte van »regt te hebben geweigerd aan de partijen» (avoir dénié de rendre la justice aux parties); _

U„ dat mitsdien de gronden , bij het beklaagde arrest bijgebragt ter afwijzing van het gedaan requisitoir, zijn in strijd met de verschillende wetsbepalingen, bij het aangevoerde middel van cassatie als ' geschonden of verkeerd toegepast vermeld, en het middel zelf alzoo

is gegrond; . , a

Vernietin-t het beklaagde arrest, op den 2 Junij 1869 door het Prov. Geregtshof in Zuidholland in raadkamer gewezen; j

En , doende wat het Hof imd behooren te doen » ,

Verleent regts-ingang tegen den verdachte Mr. Cr. -j. jvl., in floedanigheid van° rogter in de Arrond.-Regtbank te b., ter zake van ] regtsweigering, met bevel tot dagvaarding in persoon en tot instructie; de kosten, in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

KOLONIALE ZAKE N !

hoog geregtshof van nederlandsch indie.

Zitting van den 3 Februarij 1870.

Voorzitter, Mr. J. de Wal.

Wanpraestatie. — Schadevergoeding. — Ontbinding.

Is de actie tot schadevergoeding wegens wanpraestatie eener contractuele verbindtenis ontvankelijk, indien niet tevens wordt gevraagd ontbinding der overeenkomst ? Ja.

li. p. t. e. Mac Gillavry en d. j. k. Pietermaat, eischers, procureur Mr. f. h. Mees ,

tegen

de Regering van Nederlandsch Indië, gedaagde.

Het Hoog Geregtshof enz.,

met betrekking tot de daadzaken: _

a. t.' Lens te ^

eis -r/:. v&vas-j ~ * -

Goenoeng Pattie; „itfestrektheid van 395 bouws

b. een perceel woeste gronden , tw « ^ semeent0.gronden van de van 500 vierk. roeden , >e 1001 i ^ uitmakende eeno uitgestrektdessa's Itarap en Kalie sldl®' 'vt roeden, gelegen in het district heid van 977 bjuws van • aamarang, nader omschreven

Ocnarang, afueeling Saiatiga, rc®,dent'° eetbrief, en aangeduid op de , in don aan gemelde acte gehechten meetoric ,

daarvan opgemaakte kaart; jvn„t ,j0 eischers, met goedkeuring

dat b,j opvolgende acten van overdra vcrpligtingen der oor-

, van de gcd., zijn getreden in de regten e 1

j spronkelijko huurders; -„„pliike als geregtelijke aanmanin-

f dat, mottegenstaando zoowel minnelijke ai» ~ j f een aan de eischers door de god. steeds is onthouden het genot van ï 75 'bouws woeste gronden, geleden langs de door den an me era n genomen grens tusschen het district Bodja en Oenarang langs de ' ravijnen Permassan tot op den top van den berg Gendong «ch verder uitstrekkende dwars over den top van genoemden boig a g een stuk ravijn, genaamd Tjandie Pengilon, en een deel ui makende . van het sub b hierboven bedoeld perceel, dat in den meetbrief omschreven wordt als nieuw genieten woeste gronden, welke geheel aan perceel n». 2 aansluiten, en daarmede een geheel uumaken n o., dat de eischers beweren, dat de ged., door hun het genot der .. voren omschreven 75 bouws woeste gronden te onthouden, in gebreke is gebleven, hare uit het huur-contract ontstane verpligtingen na te ' komen, en dien ten gevolge door de eischers is geleden schade, •- welke door de ged. behoort te worden vergoed, en door de eiscüeis

tot uit. Dec. 1867 wordt geschat op een bedrag van J 49,108.04, blijkens overgelegde approximatieve berekening der lasten en baten voor de ontginning en beplanting met koffijboomen van 75 bouws boschgrond ; op al welke gronden de eischers de ged., bij exploit van 22 Sept. 1868, voor dezen ï love hebben gedagvaard, en geconcludeerd tot veroordeeling der ged. tot betaling van f 49,108.04, met de interessen ad 6 ten honderd in het jaar, van af den dag der dagvaarding , en van de proceskosten;

0. dat namens de ged. bij conclusie van antwoord hiertegen is aangevoerd, dat de levering der bij voormelde notariële acte verhuurde gronden behoorlijk heeft plaats gehad, en de oorspronkelijke huurders zich in het bezit daarvan hebben gesteld; dat echter de eischers, na in de rogten der oorspronkelijke huurders te zijn getreden , zich bij een schrijven van 19 Dec. 1859 bij den resident van Samarang hebben beklaagd, dat de loerah der dessa Rasigiton , in het district Hodja, afdeeling Kendal, gelegen gronden, welke tot het verhuurde behoorden, had ontgonnen;

dat, dion ten gevolge, door do ged., bij besluit dd. 19 Maart 1861, n". 4 6, eene hermeting en in-kaart-brenging van het perceel woeste gronden door eene daartoe benoemde commissie is gelast; dat, bij de door die commissie in Junij en Julij 1861 bewerkstelligde opmeting, blijkens de daarvan opgemaakte kaart en meetbrief, is gebleken, dat de vroeger door den landmeter opgemaakte kaart is ten eenemale fautief, en daarbij aan de gemeente-gronden der dessa s Itarap en Kalie Sidie eene grootere uitgestrektheid van 75 bouws is toegekend dan zij werkelijk bezaten, en dat die kaart zoovele onjuistheden bevatte, dat daaraan geene waarde kan worden gehecht, tot staving waarvan wordt verwezen:

1°. naar de nieuwe meetbrief en kaart dier woeste gronden , daar volgens den ouden aan de acte gehechten meetbrief deze gronden zich uitstrekken langs de ravijn Siento en de grens tusschen het district Bodja en Oenarang langs de ravijnen Permassan, tot op den top van I den berg Gendong en verder dwars over den top van genoemden berg Tjandie Pengilon, en verder weder noordwaarts gaande langs de ravijn I Ivalie Pangos, enz., terwijl bij de door de commissie bewerkstelligde opmeting is gebleken , dat ter plaatse langs de grens van het district I Bodja geene ravijnen gelegen zijn; dat de top van den berg Gendong, welke in den ouden meetbrief ten westen van de ravijn Tjandie Pen1 gilon geplaatst wordt ten oosten daarvan is gelegen, en | 2'. naar de afmetingen en ellemaat van dat perceel, daar de ravijnen, 1 welke, als zich langs de grens van Bodja uitstrekkende, inden amde 1 acte gehechten meetbrief opgegeven worden, indien daarmede bedoeld I zijn de ravijnen, genaamd Sigrinding en Ogargo Ivoesoemo, zich met | aansluiten aan de grenzen van het district Bodja, maar evenwijdig E aan en op plus minus een vijf honderdtal ellen bewesten de grens I Bodja in het district van dien naam gelegen zijn, en dus nimmer mede j de grenzen kunnen uitmaken der in het district Oenarang gelegene I verhuurde woeste gronden ;

dat de ged., vermits bij de huur-overeenkomst de uitgestrektheid der woeste gronden 75 bouws grooter was opgegeven dan zij werkelijk | hebben, bij besluit van den 3 Dec. 1863 , nu. 30, aan de eischers heeft te kennen gegeven , dat zij genegen was tot eene evenredige vermindering van de huur en om den huurprijs, die destijds over die I 75 bouws mogt blijken te zijn voldaan, terug te betalen;

I dat blijkens het bovenstaande, de conclusifen der eischers, strekkende , tot vergoeding der schade, welke door de beweerde onthouding van I die 75 bouws door eischers zou zijn geleden, behooren te worden ' I ontzegd, als zijnde gegrond op eene van de waarheid ten eenemale t afwijkende opmeting der verhuurde gronden;

I dat de eischers aan do onjuiste opname van het perceel door den I landmeter geene andere regten kunnen ontleenen dan tot vei mindeI ring van den huurprijs, krachtens art. 1588 , in verband tot art. " f 1484, B. W., en de ged. tot de evenredige vermindering van den ] huurprijs bereid is; .

' I dat ten slotte, voor het geval, dat het Hof den eisch tot schadeI vergoeding in beginsel mogt toewijzen, de ged. de schade-berekening = der eischers debatteert, en, na eene becijfering der vermoedelijke I baten en lasten eener exploitatie der bewuste 75 bouws, geschoeid op eon staat, opgemaakt naar officiële, door den hoofd-mspecteur Bosch = bii het rapport over de koffij-en?ue*e overgelegde bescheiden en op de resultaten der koffij-productie van de overige aan de eischers in I huur afgestane gronden over de jaren 1859 tot en met 1867, tot het eind-resultaat komt, dat, wanneer de 76 bouws te zamen met de I andere 902 bouws door eischers waren geëxploiteerd, de baten dan I ook zeer zeker delasten niet zouden hebben overtroffen, maar daarop I integendeel een beduidend tekort zou zijn ondervonden , zoodat de I eischers , ook al waren die 75 bouws hun onregtmatig onthouden , I door die onthouding geene winstderving hebben geleden , maar daar, enteren voor nog grootere schade dan zij nu reeds met de overige I 902"door hen geëxploiteerde bouws lijden, zijn bewaard gebleven;

weshalve is geconcludeerd aan de ged. acte te verleenen, dat zij I bereid is den huurprijs, door de eischers verschuldigd, te verminderen met een aan de minder bevonden uitgestrektheid van 75 bouws der verhuurde gronden evenredig bedrag en tot terugbetaling der huur, I die tot dusver mogt blijken voor de minder bevonden uitgestrektheid I van 75 bouws te zijn voldaan, en wijders de eischers in hunne tegen I de gcd. genomen eisch en conclusién niet-ontvankelijk te verklaren, I immers hun die te ontzeggea , met veroordeeling van de eischers in I de proceskosten ;

I O., dat de eischers eerst bij acte van sommatie, en later bij conI clusie van eisch incidenteel, na eene breedvoerige wederlegging van fis I de door ged. voor hare beweringen aangevoerde gronden, do motieven de van hun eisch nader hebben ontwikkeld en hoofdzakelijk gegiond. *n, 1". op de naauwkeurigheid van de oude meetbrief en kaart, welke, :r- als uitmakende een deel van het huur-contract, en dus voor beide partijen verbindend, dient geloofd te worden, totdat het tegendeel van im dien bewezen is, en volgens welke de 75 bouws in geschil onder het

verhuurde begrepen zijn;

ws 2". op het feit, dat er geen geschil bestaat omtrent de ïoentiteit

de der 'verhuurde 7 5 bonws , maar alleen omtrent de plaats, waar die

ct- gronden gelegen zijn , hetgeen echter het onderwerp der huur-over-

ict eenkomst niet uitmaakt; _

■en 3». op godaagdes buitengeregtelijke bekentenis van met te hebben

de geleverd datgeen, waartoe zij zich bij contract verbonden had;

dat de eischers vervolgens zijn getreden in een breedvoerig contra-

in" debat tot regtvaardiging hunner schade-berekening en oplossing van

or- de daartegen door de ged. ingebragte bedenkingen; en ten slotte hebben geconcludeerd, dat het Hof-. I". voor zooveel nood.g zal bevelen eene

lin- geredelijke plaats-opneming met behulp van deskundigen ten einde,

fan naar volgens de aan het tusschen partijen gesloten contract gehechte meet-

an- brief en kaart, te constateren de ligging en gesteldheid van de ,6 bouws

de grond in quaestie; '2o. zal benoemen drie deskundigen, aan wie zal worden

;ich ter hand gesteld de door eischers opgemaakte en ten processc geproda

ngs ceerde berekening der lasten en baten voor de ontginning en beplanting

nde met kofffijboomen van de quaestieuse 7» bouws boschgrond en aan

,m. Wie verder zal worden opgedragen om zich te begeven naar de plaats

leel in nuaestie , en , met in-acht neming van al hetgeen, waarop bij Q«

onmaking var. het door hen uit te brengen rapport zal dienen t

der worden gelet, te constateren het bedrag van de productie van ko J>

cke welke van dien grond onder een behoorlijk beheer ^u kunnen ^^

i te verkregen van af het jaar 1859 ten einde 1S67 ; voorts te bep

de, den priis, welken die koffij zou hebben opgebragt, en ^e'.jk^

ïers aftrek van de op de ontginning en exploitatie der opgemeld g

Sluiten