Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3275.

Koninklijk besluit tot opheffing der administratiën voor da Eeredienst ] iu eene zeer aangename positie. Zij kunnen over de zaak strijden, zonder bij mogelijkheid de nederlaag te bekomen : wordt het amendement verworpen, dan hebben de voorstanders der opheffing hun zin; en wordt het aangenomen, dan is eenvoudig het debat eenigen tijd verdaagd.

Tegenover de argumenten van den heer de Brauw zal ik niet in het fond der zaak treden, maar alleen de vraag behandelen, of voor hen, die niet hopen, dat van uitstel afstel kome, aanleiding bestaat het amendement te ondersteunen.

Ik begrijp, dat zij, die de administratiën willen handhaven, het amendement als redmiddel om de zaak uit te stellen, aangrijpen ; doch ik kan niet begrijpen, hoe iemand, die steeds de politiek van de liberalen sedert 1848 op dit punt heeft gesteund, nu weigeren zou eene laatste kroonlijst aan het gebouw toe te voegen.

De heer de Brauw zegt, dat men met een demissionair ministerie deze zaak moeijelijk kan behandelen.

Ik meen, dat de geachte afgevaardigde met zich zeiven in tegenspraak kwam, toen hij later zeide, dat wij in den daar gezeten minister een verantwoordelijk minister voor bedoeld Koninklijk besluit hebben. Welnu , alsdan heeft de Kamer al wat zij kan verlangen.

De hoofdreden , waarom ik het woord heb gevraagd, ligt echter in hetgeen de geachte vorige spreker zeide omtrent het argument, dat in deze een Koninklijk besluit bestaat, met welks bestaan eene andere inrigting der begrooting niet is overeen te brengen. De geachte afgevaardigde vatte dat argument in dier voege op, alsof zij, die het voorstonden, nu zouden willen zeggen: er is een Koninklijk besluit, dus moet gij u van beoordeeling en veroordeeling onthouden. Geheel ten onregte. De uitvoering van het Koninklijk besluit eischte eene veranderde inrigting der begrooting; die veranderde inrigting is aan het oordeel van de Kamer onderworpen; en niemand zal het regt aan de Kamer betwisten, althans niemand, die op een constitutionneel standpunt staat, om een votum uit te brengen, waarvan de intrekking van dat Koninklijk besluit het gevolg moet zijn.

In de afdeelingen deed zich de vraag voor, of men bij den minister zou aandringen de zaak wederom anders te regelen, en bij dien aandrang heb ik mij niet kunnen voegen. Die vraag hing in mijn oog zamen met deze andere: in hoever behoort de aanvrage om ontslag dour een minister eene schorsing van of terugwerkende kracht te hebben op een Koninklijk besluit, dat te zijner verantwoording is genomen ? Dit is de vraag, welke men zich stellen moet, en mijn antwoord is: in het geheel niet. De minister is niet de drager^ der Koninklijke magt, maar hij is daarvan slechts de vertegenwoordiger. In de aanvrage om ontslag aan den Koning zie ik volstrekt geen reilen, die voor den Koning, wiens wil moet medewerken tot het tot stand brengen van een Koninklijk besluit, eene schorsing van een genomen besluit zou kunnen motiveren. Ware dat het geval, waar is dan het einde? In deze stelling, dat de aanvrage om ontslag van een minister in het geheel geene aanleiding kan geven tot intiekking of schorsing van een Koninklijk besluit, ligt mijns inziens eene reden, waarom thans niet over den vorm moet worden gesproken, maar over het foni der zaak moet worden beslist. Niemand ontkent de bevoegdheid der tegenstanders om tegen het besluit op te komen; het argument : er is geen tijd, zou alleen aangevoerd kunnen worden, wanneer er pressie werd uitgeoefend om over het fond der zaak te zwijgen.

Mijnheer de Voorzitter, in mijne afdeeling had ik de eer plaats te nemen nevens eenige leden van de Kamer, die, in engen zin , met den naam van staatslieden worden aangeduid. Die staatslieden vooral drongen aan om niet over het fond der zaak te discuteren, maar te trachten uitstel te verkrijgen. Onwillekeurig meende ik daarin considerations of higher policy te ontdekken. Die opvatting maakt mij des te meer huiverig om deze zaak, in den tegenwoordige n toestand van ons land, onbeslist te laten. Waaraan Nederland behoefte heeft, het is aan zuivere stemmingen en aan politieke personen, die alleen in waarheid en opregtheid hunne kracht zoeken.

De heer de Lange: Mijnheer de Voorzitter, bij het bestrijden van het amendement is het schier onmogelijk om niet even het fond van de quaestie aan te roeren.

Men heeft zoo dikwijls de tijdstippen verward, waarop het besluit genomen is en deze begrooting is ingediend, dat eene herinnering aan die dagteekeningen niet overbodig kan geacht worden.

Op aandrang van verscheidene Kamerleden was dit onderwerp lang

voorbereid. .

Dit ministerie, dat in Augustus zeker nog niet dacht, zoo spoedig zijn zetel te zullen verlaten, heeft toen eene voordragt aan den Koning gedaan om een einde te maken aan dien tusschentoestand, welke door het besluit van 1868 nog bestond. Daarop is de Raad van btatei gehoord en heeft deze zijn advies in September uitgobragt. ir neett eene nieuwe voordragt plaats gehad aan den Koning op c o er, en daarmede viel zamen de nieuwe aandrang der Kamer, dij et voorloopig verslag van 22 October uitgedrukt, om aan e q der Kerediensten een einde te maken. Die aandrang moe el ® ring welkom geweest zijn, want alles was gereed; zijga _ , uitgesproken verlangen gehoor, en het besluit van 29 Ucto ei genomen. Nn hebben wij op dit oogenblik te doen met de egroo ï g in den vorm eener credietwet; en men zegt daaromtrent, da ij z begrooting niets nieuws mag behandeld worden, maar dat zij ge e en°al gebaseerd moet zijn op die van het vorige jaar.

Deze voorstelling is mijns inziens onjuist. De begrooting moe g baseerd zijn op den bestaanden wettigen toestand. .

Het komt immers niemand in de gedachte om , wanneer in aen loop van dit jaar wetten zijn aangenomen, waardoor sommige uitgaven kunnen vervallen , deze op die nieuwe credietwetten toch zullen moeten paraisseren ? Men zegt daar als voorbeeld het tractement van den scherpregter; en inderdaad het zal niemand in zijn brein opkomen , om een post daarvoor op deze begrooting te brengen.

Maar evenzeer als de doodstraf wettig is afgeschaft, evenzeer estaat er wettig een Koninklijk besluit, dat de ministers op^ straffe moeten uitvoeren , daar het met 1'. Januarij a. s. in werking zal treden. _ .

Het gaat dus niet aan, te zeggen , dat men die gewigtige onderwerpen bij eene credietwet niet kan behandelen, om dan in het voorbijgaan een nog veel gewigtiger stap te doen en van de begrooting een post te ligten, die tot gevolg heeft het niet-uitvoeren van een Koninklijk besluit.

Men hoort van alle zijden zeggen, dat wij op dit oogenblik niets anders te doen hebben dan den loop van de staatszaken niet te belemmeren. Welnu, wij moeten dus zorgen, dat dat besluit worde uitgevoerd.

Sluit dat kritiek uit, zoo als de heer de Brauw dit meendet Volstrekt niet. Deze ministers zijn verantwoordelijk voor het Koninklijk besluit, dat zij geprovoceerd hebben; en later zal ieder, die op dien zetel gezeten is, aansprakelijk zijn voor de uitvoering of denietuitvoering, die hij aan dit besluit geeft. Wij blijven alleen dan vrij in onze discussiën, in onze kritiek, wanneer wij niet op dezen oogenblik de ministers noodzaken tegen hun wil niet alleen, maar ook te-en hetgeen zij begrijpen dat zij moesten voordragen, de uitvoering van het Koninklijk besluit van 22 October in te doen trekken. Het gaat niet aan, dat wij ons stellen op de plaats van het Kabinet en de ministers noodzaken zouden om het Koninklijk besluit, dat zij

naar hun beste weten hebben doen nemen, te schorsen of in te trekken.

Geenerlei kritiek op den maatregel wordt belet. Het is niet waarschijnlijk, dat dit Kabinet of deze ministers langdurig uitvoering zullen geven aan het besluit, dat eerst met Januarij in werking treedt; maar wie daar ook zal zitten, ieder zal onderworpen zijn aan de kritiek van de Kamer. En wanneer de Kamer later als hare meening te kennen geeft, dat het besluit van October behoort te worden ingetrokken, dan zal het Kabinet waarschijnlijk aan dien aandrang gehoor geven of aftreden.

Men zegt op dit oogenblik de discussie te willen vermijden, en men roept ze inderdaad thans in het leven.

Ik herhaal, wat ik reeds zeide, dat het niet op kan gaan een ministerie, welk dan ook, te noodzaken een Koninklijk besluit te doen nemen, waarmede dat Kabinet zich niet kan vereenigen.

Ik kom nu tot de quaestie terug, die ons eigenlijk bezig houdt. Het is in zoover eene nieuwo quaestie, dat zij op de vroegere begrooting niet voorkwam. Maar, zoo als ik zeide, bij hot indienen van eene credietwet moet men te rade gaan met den bestaanden toestand. Die toestand is thans zoodanig, dat er met 1 Januarij een Koninklijk besluit in werking moet treden. Het komt mij voor, dat wij dezen ministers de middelen niet mogen onthouden om uitvoering te geven aan hetgeen wettelijk bestaat.

Do heer van der Linden: Mijnheer de Voorzitter, ik heb in deze discussie het argument hooren bezigen, dat deze ministers niet verantwoordelijk zullen zijn voor de uitvoering van deze begrooting, en dat daarom alle zoogenaamde nieuwe posten uit de begrooting moeten worden geligt. Dit argument treft nu in het bijzonder de verspreiding van de hoofdstukken Eeredienst over drie verschillende departementen. Met dat argument vereenig ik mij in geenen deele , want het is tot den bodem toe zonder waartle. Wat beteekent het toch? Begin met het toe te passen op de credietwetten zelve. Zijn de ministers verantwoordelijk voor de uitvoering van die credieten? Is één eenig minister, die een wets-voorstel doet, verantwoordelijk voor de uitvoering van die wet? Blijft ieder, die eene wet voorstelt, per se met de uitvoering belast? — Neen? — Volgt daar dan uit, dat, bij die onzekerheid, niemand meer een voorstel mag doen?

En nu de Kamer. Zal de Kamer geen voorstel mogen aannemen, indien de verantwoording voor de uitvoering niet blijft verknocht aan den minister, die het voorstel heeft gedaan ? — Neen , Mijnheer de Voorzitter. De minister, die een wetsvoorstel verdedigt, is daardoor niet verantwoordelijk voor de uitvoering, maar voor het voorstel. Zoo en niet anders kan het zijn. En wordt een voorstel gedaan, dan heeft de Kamer niet te zorgen voor de uitvoering, maar het voorstel te beoordeelen. Men kan zich de vraag doen, of men in het geval, waarin de ministers verkeeren, zoodanig voorstel zou hebben gedaan; men kan dit ontkennend beantwoorden; maar is het voorstel gedaan , dan is het de pligt der Kamer het op zich zelf te behandelen, zonder te vragen, of de minister van zijn ministerieel standpunt goed gedaan heeft met het voorstel te doeu , of hij heen gaat of blijft zitten; en de Kamer moet mijns inziens het voorstel niet aannemen of verwerpen om diergelijke , geheel buiten het voorstel gelegen redenen.

Op deze gronden, Mijnheer de Voorzitter, komt het argument, dat de minister, die het voorstel doet, niet verantwoordelijk is voor de uitvoering, mij voor meer te zijn een argument, dat klinkt, dan dat het afdoet.

Ik heb in het debat ook al zoo eens hooren zeggen, Mijnheer de Voorzitter, dat wij hier staan voor credietwetten en voor een aftredend ministerie.

Is dit laatste zóó zeker?

Ik weet bet niet. De Kamer weet het ook niet; en zij kan daarover niet beslissen. Wij weten alleen, dat de ministers hun ontslag hebben aangeboden. Maar ontslag aanbieden en heengaan zijn twee geheel afgescheiden dingen. Dat weten wij ook. En daarom meen ik, dat de Kamer werken moet met de Regering, die er is. Ik betreur zeer den toestand, waarin wij zijn; ik vind het een allerongelukkigsten toestand, dat eene crisis zoo lang kan duren, en dat de Vertegenwoordiging moet werken met ministers, die zeggen heen te willen gaan. Die positie moest niet kunnen bestaan; maar wanneer nu toch bestaat, wat niet moest bestaan, moeten wij dan alles laten stilstaan, en alleen in het hoogst noodige leven en beweging laten? Dit is een onhoudbare toestand, en ik werk daaraan niet mede. Zoolang de minister zit, acht ik hem verantwoordelijk voor het voorstel; en is het goed, dan acht ik mij niet verantwoord met het te verwerpen; dan neem ik het aan, zoo als ik in dit geval ook doen zal.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het amendement van den heer de Brauw , strekkende om den bij onder-art. 2 uitgetrokken post te verminderen met f 8550, in hoofdelijke stemming gebragt, wordt met 37 tegen 36 stemmen verworpen.

Tegen hebben gestemd de heeren : Westerhoff, Mirandolle, Sloet van de Beele, Tak , Rombach , de Roo van Alderwerelt, Hingst, Idzerda, Blussé Yan Oud-Alblas, Moens, Cremers, Dam, van Eek, van Akerlaken , Blom , van Beyma thoe Kingma , van Kerkwijk , van Houten, Dumbar , KaltV, Storm van 's Gravesande , de Lange, van Blom, van Delden, Viruly Verbrugge, van Naamen van Eemnes, Oldenhuis Gratama, Wybenga, de Bruyn Kops, van der Linden, Thorbecke, Heemskerk Bz., de Ruiter Zijlker, Guljé, Sandberg, Fransen van de Putte en de Voorzitter.

Voor hebben gestemd de heeren: Luyben , de Casembroot, van Reenen, Pijls, Heydenrijck, van der Hucht, van Sypesteyn, Borret, van Lijnden van Sandenburg, Hoffinan, du Marchie van Voorthuysen. Heemskerk Az., Begram, van Goltstein, Haffinans, Nierstrasz, Kien, de Bieberstein, Cornelis , van Wassenaer van Catwijck , Smitz , Bots, Stieltjes, van Kuyk, de Brauw, van Foreest, van Hardenbroek van Lookhorst, van der Maesen de SombrefF, Bichon van IJsselmonde, van Nispen van Sevenaer , Verheijen, 's Jacob , Insinger , Saaymans Vader, Hasselman en van Loon.

Onder-art. 2 wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

De Voorzitter: Ten gevolge van de verwerping van het amendement van den heer de Brauw op onder-art. 2, is het amendement van denzelfden op onder-art. 3 vervallen.

De onder-artt. 3—49 worden zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

Art. 1 wordt zonder hoofdelijke stamming goedgekeurd.

De artt. 2—4 en do beweegredenen worden zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

Het wets-ontwerp tot vaststelling van hoofdstuk IV der staatsbegrooting voor 1871 (Departement van Justitie), in stemming gebragt, wordt met 55 tegen 17 stemmen aangenomen.

Tegen hebben gestemd de heeren: Verheijen, Saaymans Vader, Hasselman, Heydenrijck, Borret, Hoffman, Heemskerk Az., Begram, Haffmans, Nierstrasz, Kien, van Wassenaer van Catwijck, Smitz, Bots, van Kuyk, Bichon van IJsselmonde en van Nispen van Sevenaer.

Bij deze stemming was dc heer van der Hucht afwezig.

IIOOGE RAAT) DER NEDERLANDEN.

Strnfzaken.

Raadkamer van den 23 Mei 1870.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Diefstal van gaz. — Diefstal bij nacht in een bewoond huis.

Moeten de feiten van het zich in het bezit van gaz stellen , door de pijp in de gelagkamer, waardoor het gaz naar de gazpit in de gelagkamer werd gevoerd, in dier voege te buigen en uit te zetten , dat deze de gazbuis, die met de gazfabriek in onafgebroken verbinding is , en het gaz uit de fabriek aanvoert, bereikte en vervolgens die pijp in de buis, komende van de gazfabriek, te steken en de voegen met stopverf digt te maken, niet als enkelvoudige diefstal, maar als diefstal bij nacht in een bewoond huis worden gequalificeerd 1 — Ja.

De adv.-gen. Smits heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

lie proc.-gen. bij het Prov. Gegegtshof in Noordbrabant heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest, door genoemd Hof in raadkamer gewezen, waarbij de bekl. W. v. 11. naar de correctionneie teregtzitting dor Arrond.-Rogtbank te Breda is verwezen , als zullende het hem ten laste gelegde feit daarstellen eenvoudigen diefstal, terwijl, naar liet oordeel van den req., dat feit moest worden gequalificeerd : diefstal bij nacht in een bewoond huis , als wanneer de zaak naar de openbare teregtzitting van het Hof had behooren verwezen te worden.

Dit feit bestaat, volgens het beklaagde arrest, daarin, dat de bekl. in zijne woning en tapperij te Steenbergen, van het laatst der maand Dec. of het begin der maand Jan. tot den I Maart jl., bij avond, en alzoo na zons-ondergaag, herhaaldelijk arglistig heeft tot zieh genomen, ten eigen bate aangewend of gebrand , gaz, ten nadeele der Steenbergsche gazfabriek , hebbende hij zich in het bezit van dit gaz gesteld, door de pijp iu de gelagkamer, waardoor het gaz naar de gazpit in de gelagkamer werd gevoerd, in dier voege te buigen en uit te zetten, dat deze de gazbuis, die met de gazfabriek in onafgebroken verbinding is, en het gaz uit de fabriek aanvoert, bereikte en vervolgens die pijp in de buis , komende van de gazfabriek , te steken en de voegen met stopverf digt te maken.

De vraag is nu: waar is deze diefstal gepleegd ? In de gazfabriek, die, volgens het arrest, niet blijkt een bewoond huis of daarmede gelijkgesteld te zijn, dan wel in de woning van den bekl.?

Het Hof is de eerste meening toegedaan , op grond, dat de gereq. zich toegang heeft verschaft tot eene gasbuis , die met de gazfabiek. een geheel uitmaakt.

Met den heer req. bon ik van gevoelen, dat de diefstal heeft plaats gehad in de woning van den req.

Het moge toch waar zijn , dat de gazbuis behoorde tot en het eigendom was van de gazfabriek, men kan evenwel moegelijk, mijns inziens, zeggen, dat die buis de gazfabriek zelve was. Integendeel, de buis bevond zich, op het tijdstip der ontvreemding, in de woning var. den bekl. Evenzeer waren daar ter plaatse de ontvreemde gazdeelen toen aanwezig, en ik geloof, dat daardoor het beklag tegen het arrest in raadkamer wordt geregtvaardigd.

Ik heb daarom de eer , namens den heer proc.-gon. , te concluderen tot vernietiging van dat arrest; en dat de llooge Raad moge bevelen, dat de bekl., ter zake hem ten laste gelegd, ter openbare teregtzitting van het Prov. Geregtshof in Noordbrabant zal worden teregtgesteld, overeenkomstig de bepalingen van den vijfden titel van het Wetboek van Strafvordering.

De Hooge Kaad (iu raadkamer vergaderd),

Gezien de memorie van den req. van cassatie, strekkende ten betooge, dat, vermits het ontvreemde gaz, hetwelk de bekl. zich zoude hebben toegeëigend, op het oogenblik der ontvreemding zich bevond in de kamer van den bekl., behoorende tot het door ham bewoonde huis , en niet meer in de fabriek , waarmede de buis , die tot de fabriek behoorde, niet geacht kan worden een geheel uit te maken,—■ in deze, vermits de diefstal na zons-ondergang moet zijn begaan , zoude gepleegd zijn diefstal bij nacht in een bewoond huis, vallende in art. 386 , n°. 1 , Strafregt, en niet eenvoudige diefstal, wanbedrijf, voorzien bij art. 401 van hetzelfde wetboek ;

Overwegende, dat, blijkens het beklaagde arrest, uit het gehoudeii onderzoek genoegzame bezwaren zijn gerezen, als zoude de bekl. zich hebben schuldig gemaakt aan het in zijne woning en tapperij te Steenbergen, van het laatst der maand Dec. of het begin der maand Jan. tot in het begin van Maart jl., bij avond, en alzoo na zons-ondergangs, herhaaldelijk arglistig tot zich nemen en ten eigen bate aanwenden of branden van gaz, ton nadeele der Steenbergsche gazfabriek, hebbende hij zich in het bezit van dat gaz gesteld, door de pijp in de gelagkamer, waardoor het gaz naar de gazpit in de gelagkamer werd gevoerd, in dier voege te buigen en uit te zetten, dat deze de gazbuis , die met de gazfabriek in onafgebroken verbinding is, en het gaz uit de fabriek aanvoert, bereikte, en vervolgens die pijp in de buis, komende van de gazfabriek, te steken en de voegen met stopverf digt te maken;

0., dat, volgens bet Hof, de bekl., om zich van het gaz meester te maken, zich toegang heeft verschaft tot eene gazbuis, die met de gazfabriek een geheel uitmaakt, zoodat de diefstal moet geacht worden te zijn geschied in die fabriek , welke niet blijkt een bewoond huis te zijn of daarmede gelijkgesteld te worden ;

O. dat wat ook zij van de vraag, of de gazbuizen buiten de fabriek een deel der fabriek uitmaken , het gaz, hetwelk zich in de buis bevond, en waaruit getrokken is, in die woning en niet in de fabriek aanwezig was; waaruit volgt, dat de ten laste gelegde diefstal zoude hebben "plaats gehad in een bewoond huis;

0., dat, vermits is aangenomen, dat de diefstal na zonsondergang, en alzoo des nachts, zoude hebben plaats gehad, het aangevoerde middel van cassatie gegrond is, en mitsdien art. 401 Strafregt verkeerd toegepast ea art. 386 , n". 1 , van hetzelfde wetboek geschonden is;

Vernietigt het beklaagde arrest;

Vernietigt mede het vonnis, op den 25 April 1870 door de Arrond.Regtbank te Breda in raadkamer gewezen ;

0., dat uit de gehouden instructie genoezame bezwaren tegen den bekl. W. v. B. zijn gerezen, als zoude hij zich schuldig gemaakt hebben aan diefstal bij nacht in een bewoond huis, waartegen lijf- en onteerende straf is bedreigd bij art. 386, principio en n°. I , Strafregt;

Beveelt zijne teregtstelling ter zake voorschreven ter openbare teregtzitting van het Hof in Noordbrabant, overeenkomstig den vijfden titel Strafvord.

Sluiten