Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 3279.

wat moet strekken om de uitvoering en regelmatige toepassing van de bij art. 26 gemaakte bepaling te verzekeren, bij art. 47 ten eenemale zou worden omvergeworpen , zonder dat daarvoor iets anders wordt in de plaats gesteld, te minder, omdat de tweede zinsnede zelve van art. 4 7 eene beperking van de in de eerste zinsnede gegeven bepaling aanduidt ;

O., dat in dien zin dan ook bij het Kon. besluit van den 22 Dec. 1855 louter administratieve voorschriften zijn gegeven, ter regeling van de kennisgeving, bij dat art. 47 bedoeld, wel op eenigzins meer afdoende wijze dan voor de verpleging van gewone armen , in verband met eene meer krachtig werkende voorziening tot het verkrijgen van spoedige terugbetaling aan de tot opneming op zich zelf niet verpligte gestichten, zonder dat echter daarbij verder is gegaan dan dat onderwerp der kennisgevingen, dat bij art. 47 was vermeld;

O., dat, op grond van een en ander , de verschillende bepalingen der wet, in onderling verband beschouwd, moet worden aangenomen, dat het burgerlijk gezag was bevoegd omtrent het verstrekken van de voorloopige verpleging van arme krankzinnigen in een gesticht voor krankzinnigen te beschikken, ten koste van het nader uit te maken domicilie van onderstand (of casu quo van het Rijk) ■

O., dat dan ook, dit vaststaande, eene beslissing ten deze van het Gemeentebestuur der plaats, waar de krankzinnige in verpleging wordt opgenomen, met de beginselen der wet moet geacht worden overeen te komen , en alzoo ook aan den eisch der wet te voldoen , om daurop later het verhaal te kunnen doen rusten;

O., wat aangaat de vraag, of de beslissing , zoo ais die hier is L'egeven, naar haren vorm en inhoud voldoende is, dat die, naar de daaraan door den judex facti gegeven uitlegging, is eene verklaring, dat de betrokken persoon werd beschouwd als verkeerende in den toestand, bedoeld bij art. 2 1 der wet, dat is, dat er onvermijdelijke noodzakelijkheid voor de verpleging bestond; en dat op de beslissing van den judex facti nopens den uitleg, aan bedoeld stuk te geven , in cassatie niet kan worden teruggekomen;

0., dat, op grond van een en ander, het eerste middel van cassatie niet is aannemelijk ;

O., dat als tweede middel van cassatie is voorgedragen ; schending en verkeerde toepassing der artt. 26 en 73 der armenwet en der artt. 2, 3, 4 en 8 der wet van den 29 Mei 1841 (Stbl. na. 20), betrekkelijk de gestichten voor krankzinnigen, op grond, dat uit de gansch ongemotiveerde beslissing, dat het verwerend gesticht behoort tot de bij art. 73 der armenwet bedoelde inrigtingen , geenszins volgt, dat zoodanig gesticht behoort tot die voor krankzinnigen, bedoeld in art. 26 der armenwet;

0., dat, volgens het beklaagde arrest, eerst in hooger beroep is beweerd, dat het krankzinnigengesticht te 's Hertogenbosch niet zoude zijn een gesticht van liefdadigheid tot verpleging van behoeftigen, bij de wet bedoeld; dat echter die bewering door het Hof is verworpen, op grond, dat dit gesticht behoort tot de bij art. 73 der armenwet bedoelde inrigtingen, welke de verpleging van behoeftige lijders naar ziel of ligchaam ten doel hebben; en dat op deze geheel feitelijke beslissing in cassatie niet kan worden teruggekomen;

O., dat alzoo beide middelen van cassatie zijn ongegrond;

Verwerpt enz.

(Gepleit voor den eischer Mr. J. Kappeyne van de Coppello , en voor den verweerder Mr. W. Thorbecke.)

Zitting van den 23 December 1870.

Spoobweg. DIekst-P.koelino. ZAAK. buiten den handel.

Overeenkomst. — Wanpraestatie. — Ontbinding. — Schadevergoeding.

Kan , wegens niet-nakoming eener overeenkomst, schadevergoeding worden gevorderd ook zonder ontbinding ? — Ja.

(In gelijken zi»\beslist bij 's Hoogen Raads arrest van 25 Nov. 1870, Weekbl. n°. 326& Vergelijk het hoofdartikel in Weekbl. n°. 32 74.)

De Nederlandsche Rijnspoorweg-maatschappij, eischeresse in cassatie, procureur Mr. J. van der Jagt,

tegen

Doude van Troostwijk , verweerder, procureur Mr. C. J. Franqois.

De adv.-geD. Karseboom heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Eooq Achtbare Heeren! Als eerste middel van cassatie is bij

ï . j* „ i tnonoocinff ripr nrtt

memorie voorsreüraeren: scnenumg eu vera-eeiuo :

21 en 22 der wet van 21 Aug. 1859 (Stbl. n°. 98),

18 Kon. besluit

van 18 Mei 1863 (Stbl. n°. 58), artt. 1282, 1283, 1303, 13o6, 1368 B. W.; omdat het Hof do eischeresse in cassatie heeft veroordeeld om een voorstel van dienstregeling aan den minister van Binnenlandsche Zaken in te zenden, en de twee eerste niet-ontvaiikelijkherlen heeft verworpen op de gronden, door de Regtbank aangevoeld, dat de Regering zich geen uitsluitend regeringsregt heeft voorbehouden ten aanzien der bepaling, aan welke stations de verschillende treinen moeten ophouden, niettegenstaande juist in art. 22 der wet van 21 Aug. 1859 zoodanig regeringsregt uitdrukkelijk aan den minister van Binnenlandsche Zaken is toegekend.

Dit middel heeft betrekking tot de derde overweging quoad jus van het arrest, waarbij op de gronden en motieven van het vonnis a quo is aangenomen , dat de vordering was ontvankelijk en «berust op het beding, gemaakt bij het gemelde contract van 5/6 Dec. 1842, zoodat niet kan worden aangenomen, dat de eerste regter de kracht en inhoud van dat beding heeft miskend, zoo als de app. beweert.»

Die beide bedoelde gronden van niet-ontvankelijkheid waren, volgens de eerste overweging quoad jus van het vonnis a quo, lo. «dat het beding, waarop de eischer zijne vordering grondt, niet behoort tot die lasten en passiviteiten, aan den Rijn-spoorweg verbonden, welke op haar zijn overgegaan, en uit dat beding derhalve geene vordering tegen baar kan voortspruiten;

»2°. dat uit dat beding al verder geene civielregtelijke vordering kan voortspruiten, omdat het niet bevat eene privaatregtelijke verbindtenis, maar eene toezegging omtrent het gebruik van een regeringsregt.» .

Het bevestigde vonnis besliste in de vierde overweging quoad jus, dat die beide gronden (welke volgens de tweede overweging quoad jus berustten op de stelling, dat het bedoelde beding geen privaatregtelijke verbindtenis, maar eene toezegging omtrent het gebruik van een regeringsregt zou bevatten) ongegrond zijn ; en de beweeggronden voor die beslissing worden medegedeeld in de derde overweging quoad jus. Daarin wordt door den judex Jacti uitgemaakt, dat hebbeding, waarop de vordering steunde, is een onderdeel van eene oveteenkomst omtrent eene dading, door den voorganger des eiscbers aangegaan met den minister van Binnenlandsche Zaken of diens gemsgtigde, niet als de Regering vertegenwoordigende, maar als representerende »de administratie van den Rijnspoorweg.» De vordering nu wil de voldoening aan deze bepaling van het Kennelijk burgerregtelijke contract.

De eischeresse in cassatie beroept zich nu in de voornaamste plaats op art. 1368 B. W., houdende, dat alleen zaken, welke in den handel

zijn, het onderwerp van overeenkomsten kunnen uitmaken. De overeenkomst was volgens den judex facti eene dading, waarmede een einde werd gemaakt aan een geschil omtrent den afstand van voor den spoorweg-aanleg benoodigde gronden; een allczins geoorloofd onderwerp. Maar, zegt die eischeresse, de veranderingen in de dienstrpp-elinsï . welke men alzoo vordert, is een regeringsregt, dus eene

daad buiten den handel, en onder de zaken van art. 1368 zijn ook daden begrepen (1), en men kan de praestatie van dat regeringsregt niet vorderen.

Ik moet beginnen met te doen opmerken, dat de vraag, of het onderwerp der overeenkomst op dit punt al dan niet in den handel was, zoo als mijn geachte voorganger Mr. Gregoiiy in de zaak der Nieuwkoopsche droogmakerij (2) zeide; »het tijdstip, waarop de overeenkomst is aangegaan, moet beslissen, of het onderwerp, waarover zij handelt, eene zaak is buiten den handel,» en dat de overeenkomst dagteekent van 5/6 Dec. 1842 en de wet, waarop men zich bij dit middel beroept, is van 21 Aug. 1859 en het Kon. besluit van 12 Mei 1863, zoodat daardoor het onderwerp van de verbindtenis destijds zeker niet buiten den handel was. En nu heeft wel later art. 22 der aangehaalde wet de bepaling fan de uren van vertrek en aankomst enz. aan den minister van Biunenlandsche Zaken opgedragen, en art. 69 van het Kon. besluit van 1863 eene inzending van voorstellen daartoe aan Z. Ëxc. opgedragen ; maar dit staat in casu niet in den weg, nu in fado is beslist, dat werd gevraagd «de vereischte wijziging te brengen, of, voor zooveel van haar afhangt, te doen brengen in het vastgestelde reglement voor de winterdienst 1869/70 , en de condemnatie is strekkende: om «aan den minister van Binnenlandsche Zaken een voorstel tot wijziging dier regeling in te zenden« hetgeen inderdaad alleen van de verweerderesse afhangt en, zoo als uit de

overgelegde stukken blijkt, dan ook door haar is gedaan.

Teregt is bij het bestreden vonnis dan ook aangenomen , dat de verweerderesse, om zich van alle aansprakelijkheid in casu te ontslaan , had behooren aan te toonen , dat de niet-voldoening aan het beding en de weigering om dit te doen, niet van haar, als belast met de daartoe betrekkelijke voorstellen, van de Regering afhing, maar enkel aan dusdanige bepaling van hooger hand was te wijten, en dat van eene dergelijke handeling van regeringszijde niet was gebleken. Door deze beslissing heeft het Hof m. i. de aangehaalde artikelen van het Burgerlijk Wetboek niet geschonden , noch artt. 22 der wet en 66 van het Kon. besluit, hiervoren aangehaald, verkeerdelijk toegepast, zoodat ik dit eerste middel ongegrond acht.

Het tweede middei heet: schending en verkeerde toepassing der artt. 1275, 1279, i 280 en 1303 B. W., omdat het Hof ten deze heeft toegewezen eene veroordeeling tot schadevergoeding, wegens met-uitvoering eener wederkeerige overeenkomst, niettegenstaande was ingesteld de actie tot nakoming, en niet die tot ontbinding, en zulks op gronden, die lijnregt strijden met de leer, door den Hoogen Raad verkondigd in zijn arrest van 16 April 1869 ( Weekbl. n». 3115).

Volgens de vierde overweging van het bestreden arrest was ook eene grief, dat «door den eischer, behalve last tot naleving der overeenkomst, is gevorderd schadevergoeding» en , na vermeld te hebben in de tiende overweging, dat «art. 1303 in verband met art. 1275 rnoet worden verklaard, en dat daaruit volgt, dat de wetgever in art. 1303 niet behoefde te herhalen het toekennen van schadevergoeding bij nakoming der overeenkomst, dat hij reeds in art. 1275 B. W. had beschreven , terwijl er voor het geval van ontbinding eene bepaalde reden bestond om er bij te voegen, dat alsdan schadevergoeding kon geêischt worden, daar de overeenkomst, in dat geval niet meer bestaande, deze ook niet meer, zoo als in art. 1275 wordt gesproken , in een anderen zin kan oplossen,» heeft het arrest o. a., behalve tot de praestatie van het contract volgens art. 8, veroordeeld om te betalen de schadevergoeding, wegens de reeds «sedert 5 Nov. 1869 gepleegde wanpraestatie.»

Indedaad is dit beginsel in strijd met de regtsleer van den Hoogen Raad, gehuldigd bij zijn arrest van 16 April 1869 (ook te vinden in Regtspr., 91, 340, en bij y. d. Hokert, B. Ii., 33, 411).

Dit arrest is echter bestreden met een enkel woord door den hoogleeraar van Boneval Faore, bij de plaatsing in het Regtsg. Bijbl. 1870, 186, en meer ex industria, door een der regters van het vonnis a quo thans in behandeling, Mr. F. A. R. A. van Ittersdm, in het Tijdschr. voor Ned. Regt van Mr. Oudeman en Diephuis, Hl, 119; door Mr. P. R. Feith, in de Bijdragen 1870, 214, en door Mr. D. J. Mom Visch, in Themis, 31, 205; en, terwijl de kundige pleiter van eisch het middel niet heeft toegelicht, vermits hij persoonlijk een ander gevoelen was toegedaan, heeft zijn geachte ambtgenoot bij antwoord het middel waardiglijk bestreden. De voorstanders der beginselen waaroo dit arrest en vroegere van den Raad steunden (3) en

dus van 's Raads jurisprudentie, gaf ik vroeger op bij mijne conclusie

in gedachte zaak.

Ik mag echter niet verzwijgen, dat die bestrijding steun vindt in een zeer recent arrest van den Raad zeiven, van 11. Vrijdag 2 i Nov., hii de beretrtina van een appel van het Bestuur van Ned. Indië van

eene beslissing, door het Hoog Geregtshof aldaar gegeven, met het

oog op het gelijkluidende art. 1267 B. w • voor JNed. Indie. uok daar stelde de Raad de vraag, of gegrond is het beweren: «dat, naar art.

126 7. wetrens niet-nakoming der verbindtenis slechts zou zijn gegeven

de keus, om of te noodzaken tot nakoming der overeenkomst, indien zulks mogelijk is (hetgeen in het onderwerpelijk geval niet zou kunnen geschieden (4), of hare ontbinding te vorderen met vergoeding van kosten, schaden en interessen, en dat derhalve, naar dit artikel, zou zijn niet-ontvankelijk do door geïnt. ingestelde vordering tot bloote schadevergoeding zonder ontbinding?"

En de beslissing was aldaar: «dat, hoewel bij gezegd artikel is gegeven de keus tusschen beide daarbij uitgedrukte vorderingen, echter de beteekenis dier bepaling niet kan zijn, in elk geval de vordering tot schadevergoeding te moeten doen gepaard gaan met die tot ontbinding (hetgeen zeer dikwerf zoude zijn in strijd met het belang bij de nakoming der overeenkomst voor het vervolg, maar vrij te laten de vordering tot bloote schadevergoeding; - dat toch het veroorloven van het meerdere (ontbinding en schadevergoeding! het mindere ibloote schadevergoeding) niet uitsluit; dat deze uitlegging van gezegd artikel is in overeenstemming met de voorafgaande bepalingen van hetzelfde wetboek, aangaande de vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het niet-nakomen eener verbindtenis.»

Alvorens mij in deze neder te leggen bij het stelsel, voorgestaan in de zeer lezenswaardige, door mij bovenvermelde, bestrijdings-opstellen der kundige schrijvers, zult gij E. H. A. H. het, naar ik wensch, mij niet ten kwade duiden, dat ik in deze zaak, en alzoo nog eenmaal, de verdediging van uwe jurisprudentie tot 1869 met allen eerbied aan uw nader oordeel onderwerp. Ik zal daarbij niet treden in eene breed-

(1) Cf. de explicatie van het woordje chose in de artt. 1126 en 1128 C. N. bij Demolombe, 24, n". 302 en 317, aan de geschiedenis der Fransche codificatie ontleend.

(21 Regtspr., £8, 302; v. d. Honert, Gr. Z., 24, 100.

(3) Dat er meerdere vroegere arresten bestaan, welke het bedoelde beginsel huldigden of daarvan uitgingen, erkent ook Mr. Feith in den aanvang van zijn opstel, in strijd eenigermate met Mr. van Ittersum, 1. c., 167.

(4) Namelijk een deel dier overeenkomst, te weten in het vervoer van troepen op een voorbijgegaan tjjdstip.

voerige wederlegging van de geachte schrijvers; eene conclusie is daartoe niet de geschikte gelegenheid, maar mij bepalen tot het mededeelen van enkele bedenkingen, welke bij mij over zijn gebleven.

Het is door niemand tegengesproken, dat de sedes materiae ligt in art. 1303 B. \V., waarbij in het geval van art. 1302 wordt gegeven

eene keuze tusschen tweederlei actie aan hem, die zich over de niet-

nakoming eener overeenkomst te beklagen heeft, namelijk of die ad

praestandum, indien zulks mogelijk is (I), of die tot ontbinding met

schadevergoeding: «tertium non datur», ook al wenschte men eene ruimere keuze. Dat de laatste woorden «met schadevergoeding» enkel slaan op de laatste actie, wordt door de meeste bestrijders toegegeven ; en ook de geachte pleiter voor den verweerder achtte zulks volkomen juist, gelijk hij zich ook niet met alle argumenten der aangehaalde schrijvers kon vereenigen, maar het meest met die van Mr. Mom Visch instemde.

Het is ook niet in strijd met art. 1275 vlg. Waar het geene over¬

eenkomst, maar eenzijdige verbindtenissen geldt, geeft art. 1275 , op grond van den regtsregel: «nemo precise potest cogi ad factum», dat de verbindtenis om iets te doen (waarvan in casu sprake is) zich oplost in schadevergoeding, en art. 1277 B. W. bepaalt, dat de schuldeischer ook kan worden gemagtigd om ten koste van de schuldenaar de verbindtenis te doen uitvoeren, — daar is dus ook een dualisme: of

schadevergoeding of uitvoering; en uit de tegenstelling dier beide artikelen volgt, dat bij de uitvoering niet tevens schadevergoeding te vragen is. De artt. 1279 volgg. B. W. betreffen dan ook meer de uitvoering of de toepassing der beginselen, dan de vaststelling zelve daarvan.

Wat alzoo ten aanzien van unilaterale verbindtenissen was bepaald, wordt later, en wel bij de artt. 1302 en 1303, geregeld voor de bilaterale , of overeenkomsten, en wel door de bepaling van art. 1302, dat bij wederkeerige overeenkomsten de ontbindende voorwaarde steeds wordt gedacht, als eene der partijen niet aan hare verpligting voldoet (2). En wat bepaalt in dat geval dan art. 1303 ? Weder hetzelfde als wij voor eenzijdige verbindtenissen zagen bij artt. 1275 en 1477 bf (zoo mogelijk) dwingen tot nakoming, of ontbinding (welke volgens art. 1302, al. 2, niet van regtswege intreedt), met schadevergoeding (3).

In casu dus bf dwingen tot doen, bf wel ontbinding vragen wegens de nalating van te doen toetreden, d. i. dus wegens de viora: doch alsdan vergezeld van schadevergoeding, door de ontbinding veroorzaakt.

Mij dunkt, «tota lege perspecta» volgt daaruit, dat de wet heeft voorzien twee gevallen, dat namelijk, bij eenzijdige verbindtenis, zoowel als bij overeenkomst, nalatigheid in het doen, in het volbrengen der verpligting om iets te doen, ontstaat; in beide regtstoestandeu geeft zij gelijk regt, namelijk dwang tot nakoming zoo mogelijk, of schadevergoeding, veroorzaakt door de wanpraestatie. Ik ontken niet, dat uit de beginselen, dooi- don wetgever vastgesteld ten aanzien van verbindtenissen, de toepassing van hetzelfde regt voor overeenkomsten mag worden afgeleid bij toestanden, niet uitdrukkelijk ten aanzien van contracten geregeld; maar ik vind zwarigheid, om, waar de wet uitdrukkelijk bepaalt, hoe bij overeenkomst in zekere aangeduide gevallen te handelen, welke regtsgevolgen aan de niet-nakoming bijzonderlijk van overeenko nsten zijn verbonden, als bij artt. 1302 en 1303 B. W., — die regtsbepalingen te wijzigen of aan te vullen uit de beginselen , bij verbindtenis bepaald; eene bepaalde keuze tusschen twee actiën uit te breiden tot eene derde, welke enkel zou zijn af te leiden uit de beginselen , voor verbindtenissen bepaald.

De geachte pleiter voor den verweerder is van oordeel, dat de artt. 130! en 1303 B. W. alléén strekten tot de toekenning van de resolutoire actie, vermits het onnoodig zou zijn die tot praestatie toe te kennen , als reeds van zelve volgende uit den aard van overeenkomsten : terwijl de resolutoire zonder positive wet niet zou bestaani en daarom de actia tot praestatie in art. 1303 alleen was bijgevoegd om nog duidelijker te maken, dat er slechts bevoegdheid, niet verpligting tot de resolutoire actie bestond.

Maar zou men op die wijze art. 1303 B. VV. (dat struikelblok in onze wetgeving) niet tamelijk overbodig maken, wat niet zonder dringende redenen mag Jgeschieden ?

De actie tot inkoming, zegt men, is een aan den aard der overeenkomsten verbonden natuurlijk regt, dus is die bepaling van art. 1303 eigenlijk overbodig. Maar ik voeg er bij: de actie tot ontbinding was reeds toegekend in art. 1302 ; en ik vraag daarom op mijn® beurt, waarom dit dan in art. 1303 herhaald? Waartoe dan het geheele artikel? Het potestatieve lag ook reeds in het aanvragen van resolutie, bij art. 1302 opgesloten.

Ik meen het artikel niet te mogen op zijde zetten, maar te moete" herzeggen : even als men de gevolgen van wanpraestatie heeft geregeld bij eenzijdige verbindtenis in artt. 1275 en 1277 B. W., zoo is be' geschied bij art. 1303, waar de vraag wordt gedaan bij wederkeerige overeenkomst.

De meerdere of mindere hardheid van de wetsbepaling, gelijk 'te daar ligt, in de gevolgen voor hem, die nakoming alsnog vraagti gelegen in het niet aanduiden van mogelijkheid tot het vragen van moratoire interest, kan niet in de weegschaal worden gelegd; en ^

achtte ook ik eene bijvoeging dienaangaande meer gewenscht, ik zot> mij moeten bepalen tot de vraag: wat zegt de wet? niet daarmede vermengen, wat ik beter gezegd zou hebben geoordeeld (4).

Kan de zin der slotbepaling welligt ook deze zijn, dat daarbij de vermelding der actie tot ontbinding met schadevergoeding niet zoo

(1) De geachte pleiter voor den eisch erkende, dat, hoezeer persoonlijk meer gestemd voor het in cassatie bestreden stelsel, hij echter moest toegeven, dat in dit stelsel de woorden van art. 1303, indien zulks mogelijk is, niet wel te verklaren zijn; men zie ook Mr. FeitBi 1. c. 236. Zou het dan niet reeds verkieslijker zijn, zich aan deP uitgedrukten wil des wetgevers, ook al kwam die in de gevolge» minder gewenscht voor, te houden, dan uit artikelen, tot een anderen regtstoestand betrekkelijk, of voor bijzondere soorten van overeenkomsten, later geschreven , eene aanvulling te zoeken uit vermoedelijk6 bedoelingen, boven de in de woorden uitgedrukte? Mr. Feith zeg' dan ook met mij: «de nakoming, in dat artikel bedoeld, is de feitelijk11 vervulling der verbindtenis, zonder meer, en ook hij acht dit beveS' tigd door den slotzin mede van art. 1302 B. W.

(2) Dat in den lsten titel van B. III niet dan bij uitdrukkelijk aanduiding, als in artt. 1302, 13('3 B. W., mag worden gedachta8" overeenkomsten, blijkt uit Mr. Vookduin, V, : ö, n'. 2. Vergelijk echter Mr. Feith, 1. c., 242 vig.

(3) Ik verschil op dit punt eenigermate met Mr. Feith, 1. c. i*° vlg. De artt. 1302 eu 1303 behandelen m. i. twee gevallen: he' vragen van ontbinding en van nakoming. Ik vind dus bezwaar in de gevolgtrekking, door hem gemaakt, alsof men, ontbinding vragende' artt. 1279 vlg. tor zijde zou kunnen stellen, en daarentegen, bij be vragen van nakoming, de artt. 1302 en 1303 kon ter zijde laten.

(4) Zoo geeft Mr. Mom Visch toe, dat voorzigtiger ware g6' woest, indien in het artikel ware te lezen als in art. 3059 van Ou'" werp van 1820: «met vergoeding in beide gevallen van kosten,

den en interessen.» Dan zeker ware de twistappel weggenomen, *J zou ik dan ook vragen , of misschien niet wenschelijker ware gewef te lezen achter «noodzaken», in art. 1303: «met vergoeding 1 kosten enz., door de enkele vertraging veroorzaakt.»

Sluiten